Publicidade

Marcos 14

MRI2012

1 Het was twee dagen voor Pesach en het Feest van de Ongedesemde Broden. De hoofdpriesters en Schriftgeleerden zonnen op een list om Jezus te kunnen oppakken en doden. 2 "Maar niet tijdens het feest," zeiden ze, "anders komt er een volksopstand."

3 Toen Jezus in Betanië deelnam aan een maaltijd in het huis van Simon de Melaatse, kwam er een vrouw naar Hem toe met een albasten flesje kostbare zuivere nardusolie. Ze brak het flesje open en goot de geurige olie over zijn hoofd. 4 Sommige van de aanwezigen zeiden verontwaardigd tegen elkaar: "Waarom werd die geurige olie verspild? 5 Die olie had verkocht kunnen worden voor meer dan driehonderd denarie en de opbrengst had aan de armen kunnen worden gegeven." Ze vielen ruw tegen haar uit. 6 Maar Jezus zei: "Laat haar met rust. Waarom vallen jullie haar lastig? Ze heeft iets goeds voor Mij gedaan. 7 Er zullen altijd arme mensen bij jullie zijn en jullie kunnen goed voor hen doen wanneer jullie willen. Maar Ik zal niet altijd bij jullie zijn. 8 Zij heeft gedaan wat ze kon: ze heeft mijn lichaam gezalfd ter voorbereiding van mijn begrafenis. 9 Ik verzeker jullie, overal in de wereld waar het evangelie zal worden verkondigd, zal ter herinnering aan haar worden verteld wat zij heeft gedaan."

10 Toen ging Judas Iskariot, een van de Twaalf, naar de hoofdpriesters om Jezus aan hen uit te leveren. 11 Ze waren verheugd om dat te vernemen en beloofden dat ze hem geld zouden betalen. Daarom zocht hij naar een gelegenheid om Jezus aan hen uit te leveren.

12 Op de eerste dag van het Feest van de Ongedesemde Broden, de dag waarop gewoonlijk het Pesachlam wordt geslacht, vroegen Jezus' leerlingen Hem: "Waar wilt U dat we de Pesachmaaltijd voor U gaan klaarmaken?" 13 Hij stuurde twee van zijn leerlingen eropuit met de woorden: "Ga de stad in. Daar zullen jullie een man tegenkomen die een waterkan draagt. Volg hem en 14 zeg tegen de eigenaar van het huis waar hij naar binnen gaat: De Leraar vraagt: Waar is het vertrek waar Ik met mijn leerlingen de Pesachmaaltijd kan eten?15 Hij zal jullie een bovenzaal tonen, ingericht en op orde. Maak het daar voor ons klaar." 16 De leerlingen vertrokken, gingen de stad in, troffen alles aan volgens zijn beschrijving en maakten de Pesachmaaltijd klaar. 17 's Avonds kwam Hij met de Twaalf. 18 Ze gingen aan tafel en tijdens het eten zei Jezus: "Ik verzeker jullie, één van jullie zal Mij verraden, iemand die met Mij aan het eten is." 19 Daar werden ze bedroefd van en ze vroegen Hem, de een na de ander: "Ik ben het toch niet?" 20 Hij antwoordde: "Het is één van jullie twaalf, iemand die zijn brood samen met Mij in de schaal doopt. 21 Want de Mensenzoon zal heengaan, zoals over Hem in de Schriften staat, maar wee degene door wie de Mensenzoon wordt verraden: voor die persoon zou het beter zijn geweest als hij niet was geboren."

22 Tijdens de maaltijd nam Jezus een brood, sprak een zegengebed uit, brak het in stukken, verdeelde die onder hen en zei: "Neem dit aan; dit is mijn lichaam." 23 Ook nam Hij een beker, sprak een dankgebed uit en reikte hun de beker aan. Ze dronken er allen uit. 24 Hij zei tegen hen: "Dit is mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor veel mensen wordt vergoten. 25 Ik verzeker jullie, Ik zal niet meer drinken van de vrucht van de druivelaar tot de dag waarop Ik nieuwe wijn drink in Gods koninkrijk." 26 Na het zingen van een danklied vertrokken ze naar de Olijfberg. 27 Jezus zei tegen hen: "Jullie zullen Mij allemaal in de steek laten, want in de Schriften staat: Ik zal de herder doodslaan en de schapen zullen worden uiteengedreven.28 Maar nadat Ik ben verrezen, zal Ik voor jullie uit naar Galilea gaan." 29 Petrus zei tegen Hem: "Al zou iedereen U in de steek laten, ik niet!" 30 Jezus antwoordde: "Ik verzeker je, vandaag, ja vannacht nog, voordat de haan tweemaal kraait, zal jij Mij driemaal verloochenen." 31 Petrus hield vol: "Al moet ik met U sterven, ik zal U nooit verloochenen." Alle anderen zeiden hetzelfde.

32 Toen ze bij een plaats aankwamen die Getsemane heet, zei Jezus tegen zijn leerlingen: "Gaan jullie hier zitten terwijl Ik ga bidden." 33 Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee en begon ontdaan en onrustig te worden. 34 Hij zei tegen hen: "Ik ben dodelijk bedroefd. Blijf hier en waak." 35 Hij stapte iets verder, liet zich op de grond vallen en bad dat, indien mogelijk, dit tijdstip aan Hem zou mogen voorbijgaan. 36 Hij zei: "Abba, Vader, U kan alles. Neem deze beker van Mij weg! laat echter niet gebeuren wat Ik wil, maar wat U wil." 37 Toen Hij terugkwam, trof Hij hen slapend aan. Hij zei tegen Petrus: "Simon, slaap je? Was je zelfs niet in staat om één uur te waken? 38 Waak en bid, opdat jullie niet in verzoeking komen, want de geest is wel bereidwillig maar het lichaam is zwak." 39 Hij ging weg en bad opnieuw hetzelfde gebed. 40 Toen Hij opnieuw terugkwam, trof Hij hen slapend aan, want hun ogen waren dichtgevallen. Ze wisten niet wat ze Hem konden antwoorden. 41 Toen Hij voor de derde keer terugkwam, zei Hij tegen hen: "Zijn jullie nog altijd aan het slapen en rusten? Het is genoeg geweest, het tijdstip is aangebroken waarop de Mensenzoon aan de zondaars wordt uitgeleverd. 42 Sta maar op, laten we vertrekken; mijn verrader is bijna hier."

43 Terwijl Hij nog sprak, arriveerde Judas, een van de Twaalf, met een groep mensen met zwaarden en knuppels. Ze waren gestuurd door de hoofdpriesters, Schriftgeleerden en oudsten. 44 Jezus' verrader had een teken met hen afgesproken: "Het is degene die ik met een kus begroet; Hem moeten jullie arresteren en onder bewaking wegleiden." 45 Hij stapte recht op Jezus af, zei "Rabbi!" en gaf Hem een kus. 46 Ze grepen Jezus en arresteerden Hem. 47 Maar een van de omstaanders trok zijn zwaard, viel de dienaar van de hogepriester aan en hakte zijn oor af. 48 Jezus zei tegen de mensen: "Zijn jullie Mij hier als een misdadiger met zwaarden en knuppels komen arresteren? 49 Ik was toch elke dag bij jullie op het tempelterrein aan het onderwijzen? Toen hebben jullie Mij niet opgepakt. Maar de Schriften moeten in vervulling gaan." 50 Toen liet iedereen Jezus in de steek en vluchtte weg. 51 Een jongeman die een linnen kledingstuk op het naakte lichaam droeg, volgde Jezus en werd door hen gegrepen. 52 Hij maakte zich uit het kledingstuk los en vluchtte naakt weg.

53 Jezus werd weggeleid, naar de hogepriester, waar alle hoofdpriesters, oudsten en Schriftgeleerden bijeenkwamen. 54 Petrus volgde Hem op een afstand, helemaal tot op de binnenplaats van het huis van de hogepriester. Daar ging hij bij de bewakers zitten om zich aan het vuur te warmen. 55 De hoofdpriesters en de hele Joodse raad zochten naar een getuigenverklaring op grond waarvan ze Jezus ter dood zouden kunnen veroordelen, maar ze vonden die niet. 56 Veel mensen legden valse verklaringen tegen Hem af, maar de getuigenissen stemden niet met elkaar overeen. 57 Toen kwamen er mensen naar voren met de volgende valse bezwarende verklaring: 58 "Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze door mensen gebouwde tempel verwoesten en in drie dagen een andere, niet door mensenhanden gemaakte, tempel bouwen." 59 Maar zelfs hun getuigenissen stemden niet met elkaar overeen. 60 Toen ging de hogepriester in het midden staan en vroeg aan Jezus: "Hebt U geen antwoord op de verklaring van deze getuigen tegen U?" 61 Maar Hij zweeg en gaf helemaal geen antwoord. De hogepriester vroeg verder: "Bent U de Messias, de Zoon van de Gezegende?" 62 Jezus zei: "Dat ben Ik. En u zal de Mensenzoon aan de rechterzijde van de Machtige zien zitten, en Hem zien komen met de wolken." 63 De hogepriester scheurde zijn kleren en zei: "Waarom hebben we nog getuigen nodig? 64 U heeft de godslastering gehoord. Wat is uw besluit?" Ze oordeelden allemaal dat Jezus de doodstraf verdiende. 65 Sommigen begonnen naar Hem te spuwen, Hem te blinddoeken en Hem te slaan, terwijl ze riepen: "Profeteer dan!" De bedienden namen Hem over en ook zij sloegen Hem.

66 Terwijl Petrus beneden op de binnenplaats was, kwam er een dienstmeisje van de hogepriester voorbij. 67 Toen ze Petrus zag, die zich aan het warmen was, keek ze hem aan en zei ze: "U was ook bij die Jezus van Nazaret." 68 Maar hij ontkende het. "Ik heb geen idee waarover je het hebt", zei hij en ging naar het voorportaal. Toen kraaide er een haan. 69 Maar toen het dienstmeisje hem daar zag, herhaalde ze het tegenover de omstaanders: "Die man is één van hen." 70 Opnieuw ontkende Petrus. Na een tijdje zeiden de omstaanders tegen Petrus: "Jij bent toch echt één van hen, want je bent een Galileeër." 71 Hij begon vloeken over zichzelf af te roepen en te zweren: "Ik ken die Man niet over Wie jullie het hebben." 72 Meteen kraaide voor de tweede keer een haan. Toen herinnerde Petrus zich wat Jezus tegen hem had gezegd: "Voordat de haan tweemaal kraait, zal jij Mij driemaal verloochenen." Hij barstte in tranen uit en weende.

Te Whakangārahu ki a Īhu

1 , kia rua ake ngā ko te Kapenga me te Hākari o te Taro Rēwenakore. , ka rapu ngā tohunga nui me ngā karaipi i tētahi tinihanga e mau ai ia, e whakamatea ai. 2 I mea hoki rātou, "Kauaka i te hākari, kei ngangau te iwi."

Ka Whakawahia a Īhu i Petani

3 Ā, i a ia i Petani i te whare o Haimona repera, i a ia anō e noho ana ka haere mai tētahi wahine me tētahi pouaka kōhatu, tonu i te hinu kakara, he tino nara, he mea utu nui; ā, wāhia ana e ia te pouaka kōhatu, ringihia ana ki tōna mātenga.

4 I riri anō ētahi i roto i a rātou, i mea, "Hei aha tēnei maumau o te hinu kakara? 5 Maha atu hoki i te toru rau ngā pene te utu me i hokona tēnei hinu, , ka hoatu ki te hunga rawakore." , ka amuamu rātou ki a ia.

6 Ka mea atu a Īhu, "Waiho atu ū āna! He aha koutou e whakapāwerawera i a ia? He mahi pai tāna i mea nei ki ahau. 7 Kei a koutou tonu hoki te hunga rawakore i ngā katoa, hei atawhaitanga hoki rātou koutou i ngā e pai ai koutou; e kore ia ahau e noho tonu ki a koutou. 8 Kua mahia e ia te mea e taea e ia; kua whakawahia e ia i mua nei tōku tinana te tanumanga. 9 He pono tāku e mea nei ki a koutou, Ko ngā wāhi katoa o te ao e kauwhautia ai tēnei rongopai, ka kōrerotia anō tēnei wahine i mea ai, hei whakamahara ki a ia."

Ka Whakaae a Hūrā ki te Tuku i a Īhu

10 , ka haere a Hūrā Ikariote, tētahi o te tekau rua, ki ngā tohunga nui, ki te tuku i a ia ki a rātou. 11 Ā, ka rongo rātou, ka hari, ka whakaae kia hoatu he moni māna. , ka rapu ia ki te pai e tukua ai ia.

Ka Kainga e Īhu te Kapenga i te Taha i Āna Ākonga

12 Ā, i te tuatahi o te Taro Rēwenakore, i te e patua ai te Kapenga, ka mea āna ākonga ki a ia, "Ko hea koe pai ai kia haere mātou ki te taka, kia kai ai koe i te Kapenga?"

13 , ka tonoa e ia tokorua o āna ākonga, ka mea ki a rāua, "Haere ki te , ā, ka tūtaki mai ki a kōrua he tangata e mau ana i te tahā wai: haere i muri i a ia. 14 Ā, ka mea ki te tangata o te whare e tomo ai ia, E mea ana te Kaiwhakaako, "Kei hea te rūma e kai ai mātou ko āku ākonga i te Kapenga?" 15 Ā, māna tonu e whakaatu ki a kōrua he rūma nui i runga, oti rawa te whāriki, te whakapai. Hei reira taka ai tātou."

16 , haere ana āna ākonga, ā, te taenga ki te , ka kite i tāna i kōrero ai ki a rāua; ā, takā ana e rāua te Kapenga.

17 Ā, ka ahiahi, ka haere atu ia me te tekau rua. 18 I a rātou e noho ana, e kai ana, ka mea a Īhu, "He pono tāku e mea nei ki a koutou, Ko tētahi o koutou, kei tōku taha nei e kai ana, māna ahau e tuku."

19 , ka te pōuri ki a rātou, ka takitahi ki a ia, "Ko ahau koia?"

20 , ka mea ia ki a rātou, "Ko tētahi o te tekau rua, ko ia e toutou tahi nei māua ki te rīhi. 21 E haere ana te Tama a te tangata, e pērā ana me te mea i tuhituhia mōna; otiia, auē te mate te tangata e tukua ai te Tama a te tangata! He mea pai taua tangata me i kaua ia e whānau."

Te Hapa a te Ariki

22 Ā, i a rātou e kai ana, ka mau ia ki te taro, ā, ka mutu te whakapai, ka whawhati, , ka hoatu ki a rātou, ka mea, "Tangohia, kainga: ko tōku tinana tēnei."

23 , ka mau ia ki te kapu, ā, ka mutu te whakawhetai, ka hoatu ki a rātou; ā, ka inumia e rātou katoa.

24 Ā, ka mea ia ki a rātou, "Ko ōku toto ēnei, ko ō te kawenata hou, e whakahekea ana te tini. 25 He pono tāku e mea nei ki a koutou, E kore ahau e inu atu anō i te hua o te wāina, kia taea anō taua e inumia houtia ai e ahau i te rangatiratanga o te Atua."

26 Ā, ka mutu rātou hīmene, ka haere rātou ki Maunga Ōriwa.

Ka Poropiti a Īhu i te Whakakorenga a Pita

27 Kātahi a Īhu ka mea ki a rātou, "Ko koutou katoa ka . Kua oti hoki te tuhituhi:

Ka patua e ahau te hēpara,

ā, ko ngā hipi ka whakamararatia.

28 Otirā, muri iho i tōku aranga, ka haere ahau i mua i a koutou ki Karirī."

29 , ka mea a Pita ki a ia, "Ahakoa te katoa, ko ahau e kore!"

30 Ā, ka mea a Īhu ki a ia, "He pono tāku e mea nei ki a koe, ko ākuanei, i tēnei anō, i te mea kāhore anō kia rua ngā tangihanga o te tīkaokao, ka toru āu whakakorenga i ahau."

31 Kātahi, ka tino ārita rawa tāna meatanga atu, "Ahakoa kua takoto te tikanga kia mate tahi au me koe, e kore ahau e whakakāhore i a koe." I pērā anō te kōrero a rātou katoa.

Ka Īnoi a Īhu i Kehemane

32 Ā, ka tae rātou ki tētahi wāhi, e huaina ana ko Kehemane. , ka mea atu ia ki āna ākonga, "Hei konei koutou noho ai, kia īnoi ahau." 33 , ka mau ia ki a Pita rātou ko Hēmi, ko Hoani, ā, ka tīmata te koera, te tūmatatenga; 34 , ka mea ia ki a rātou, "Kei te tino pēhia tōku wairua e te pōuri, tata ki te mate; noho iho koutou i konei, kia mataara."

35 , ka haere ia ki pahaki tata atu, ka hinga ki te whenua, ka īnoi, me kāhore e āhei kia pahemo atu tēnei hāora i a ia. 36 Ā, ka mea ia, "E Apa, e , ka taea e koe ngā mea katoa; tangohia atu tēnei kapu i ahau. Otiia, kaua e waiho i tāku e pai ai, engari, i tāu."

37 , ka haere ia, ka rokohanga atu e moe ana rātou, ā, ka mea ia ki a Pita, "E Haimona, kei te moe ia koe? E kore rānei e taea e koe te mataara kia kotahi hāora? 38 Kia mataara, me te īnoi, kei uru koutou ki te whakamātautauranga. Kei te hihiko te wairua, ko te kikokiko ia kei te ngoikore."

39 , ka haere atu anō ia, ka īnoi, me te whakahua i aua kupu anō. 40 , ka hoki mai anō ia, ka rokohanga e moe ana rātou, he nui hoki te taimaha o ō rātou kanohi; ā, kīhai rātou i mātau ki rātou e whakahoki ai ki a ia.

41 , haere ana anō ia, ko te toru o ngā haerenga, ka mea ki a rātou, "E moe , whakatā i a koutou? Heoi , kua taea te hāora; , ka tukua te Tama a te tangata ki ngā ringa o te hunga hara. 42 Maranga, ka haere tātou; , ka tata te kaituku i ahau."

Te Hopukanga o Īhu

43 , inamata, i a ia tonu e kōrero ana, kua puta a Hūrā, tētahi o te tekau rua, me te tini o te tangata, me ngā hoari, me ngā patu, i ahu mai i ngā tohunga nui, i ngā karaipi, i ngā kaumātua.

44 , kua oti tētahi tohu te whakarite ki a rātou e tōna kaituku; i mea ia, "Ko tāku tangata e kihi ai, ko ia tērā; hopukina, kia mau te ārahi atu." 45 , i tōna taenga mai, tika tonu ki a ia, ka mea, "E Rapi!" ā, kihi ana i a ia. 46 , ka mau ō rātou ringa ki a ia, ā, hopukina ana ia. 47 , ka unuhia e tētahi o te hunga e ana i reira tāna hoari, hāua iho e ia te pononga a te tohunga nui, poroa ana tōna taringa.

48 , ka whakahoki a Īhu, ka mea ki a rātou, "He tāhae ahau, i haere mai ai koutou me ngā hoari, me ngā patu, ki te hopu i ahau? 49 I a koutou ahau e whakaako ana i te temepara i tēnā , i tēnā , ā, kīhai koutou i hopu i ahau. Otirā, i mahia tēnei mea kia rite ai ngā karaipiture." 50 , whakarere ana rātou katoa i a ia, oma ana.

51 , tērā tētahi taitamariki i aru tahi mai me ia, takaia ai he kākahu rīnena ki runga ake i tōna kirikau. , ka hopukina ia e rātou, 52 otirā, i whakarērea atu e ia te kākahu rīnena, ā, oma tahanga atu ana.

Ko Īhu i te Aroaro o te Rūnanga

53 , ka ārahina atu e rātou a Īhu ki te tino tohunga: ā, ka huihui mai ki a ia ngā tohunga nui katoa, ngā kaumātua me ngā karaipi. 54 , tērā a Pita te aru i a ia i tawhiti, tae noa ki roto, ki te marae o te tino tohunga; ā, tērā te noho me ngā kaimahi, pāinaina ai i a ia i te taha o te ahi.

55 , i rapu ngā tohunga nui me te rūnanga katoa i te kōrero Īhu, e whakamatea ai; heoi, kīhai i kitea. 56 He tokomaha hoki ngā kaiwhakapae teka mōna, otiia, kīhai i rite ā rātou kōrero.

57 , ka whakatika ētahi, ka whakapae teka ki a ia, ka mea, 58 "I rongo mātou ki a ia e mea ana, Māku e whakahoro tēnei whare tapu i hangā nei e te ringa, ā, kia toru ngā ka hangā e ahau tētahi atu, ehara i te ringa i mahi." 59 Ā, ahakoa tērā kīhai ā rātou kōrero i riterite.

60 , ka whakatika te tohunga nui i waenganui, ka ui ki a Īhu, ka mea, "Kāhore āu kupu? He aha ēnei e whakaatu nei mōu?"

61 Heoi, kīhai ia i kuihi, kāhore hoki he kupu i whakahokia e ia. , ka ui anō te tino tohunga ka mea ki a ia, "Ko koe rānei a te Karaiti, te Tama a tērā e Whakapaingia nei?"

62 Ka mea a Īhu ki a ia, "Ko ahau ia, ā, tērā koutou e kite i te Tama a te tangata e noho ana i te ringa matau o te kaha, e haere mai ana me ngā kapua o te rangi."

63 Kātahi, ka haehae te tino tohunga i ōna kākahu, ka mea, "Hei aha atu tātou ētahi kaiwhakaatu anō? 64 Kua rongo koutou ki te kohukohu. E pēhea ana ō koutou whakaaro?"

, ka whakaae rātou katoa ka tika te mate mōna. 65 Kātahi, ka anga ētahi, ka tuwha ki a ia, ka ārai i tōna kanohi, ka kuru i a ia, ā, ka mea ki a ia, "Poropiti mai!" Ā, ka pakipakia ia e ngā kaimahi ki ō rātou ringa.

Ka Whakakorengia a Īhu e Pita

66 Ā, i a Pita i te marae i raro, ka haere mai tētahi o ngā kōtiro a te tino tohunga. 67 Ā, i tōna kitenga i a Pita e pāinaina ana, ka titiro atu ki a ia, ā, ka mea, "Ko koe anō tētahi i te tangata o Nahareta, arā i a Īhu."

68 Otirā, ka whakakāhore ia, ka mea, "Kāhore rawa ahau i mātau, i mārama rānei ki tāu e kōrero mai ." , ka puta atu ia ki te whakamahau, ā, ka tangi te tīkaokao.

69 Ā, ka kite te kōtiro i a ia, ka anga anō, ka kōrero ki te hunga e tata ana, "rātou hoki tēnei." 70 Otirā, ka whakakāhore anō ia.

Ā muri tata iho ka kōrero anō ki a Pita te hunga e tata ana, "He pono ko koe tētahi o rātou; Karirī hoki koe."

71 Kātahi ia ka tīmata te kanga, te oati, "Kāhore ahau e mātau ki tēnā tangata e kōrero koutou."

72 I reira ka tangi anō te tīkaokao, ko te tuarua o ngā tangihanga. , ka mahara a Pita ki te kupu i kōrero ai a Īhu ki a ia, "E kore e tuarua te tangi o te tīkaokao, ka toru āu whakakāhoretanga i ahau." Ā, ka whakaaroa iho e ia, , ka tangi.

Veja também

Bíblia Online Bíblia Online

Bíblia Online • Versão: 2026-07-05_12-11-46-