Publicidade

Marcos 6

MRI2012

1 Jezus vertrok daarvandaan en kwam aan in zijn thuisstad. Zijn leerlingen waren met Hem meegekomen. 2 Toen het sabbat werd, begon Hij te onderwijzen in de synagoge en de vele toehoorders waren diep onder de indruk. Ze vroegen: "Waar haalt die Man dat toch vandaan, hoe komt Hij aan die wijsheid en hoe is het mogelijk dat Hij die wonderen doet? 3 Is dit niet de bouwer, de zoon van Maria en broer van Jakobus, Joses, Judas en Simon? En zijn zussen wonen toch hier bij ons?" Ze ergerden zich aan Hem. 4 Maar Jezus zei tegen hen: "Het is alleen in zijn thuisstad, bij zijn familie en in zijn eigen huis dat een profeet geen eer ontvangt." 5 Hij kon er geen wonderen doen, alleen genas Hij enkele zieken door hun de handen op te leggen. 6 Hij verbaasde zich over hun ongeloof. Daarna trok Hij van dorp tot dorp om er te onderwijzen.

7 Jezus riep de Twaalf bij zich en begon hen twee aan twee op pad te sturen. Hij gaf hun gezag over onreine geesten 8 en gaf hun de volgende instructies: "Neem niets mee voor onderweg, behalve een wandelstok. Geen brood, geen reistas, en geen geld in je geldriem. 9 Trek wel sandalen aan, maar geen extra kledij." 10 Jezus zei ook tegen hen: "Wanneer jullie bij iemand te gast zijn, blijf dan bij die persoon logeren totdat je uit die plaats vertrekt. 11 En wanneer men je ergens niet verwelkomt of niet naar je luistert, vertrek dan uit die plaats en schud het stof van je voetzolen als een teken voor hen van jullie afkeuring." 12 Ze gingen eropuit en riepen de mensen op om tot inkeer te komen. 13 Ze dreven veel demonen uit en zalfden vele zieken met olie en genazen hen.

14 Jezus' naam raakte bekend en ook koning Herodes hoorde over Hem. Sommige mensen zeiden: "Johannes de Doper is uit de dood verrezen; daarom doet Hij wonderen." 15 Anderen zeiden: "Hij is Elia", en nog anderen: "Hij is een profeet, zoals de profeten van vroeger." 16 Maar toen Herodes het hoorde, zei hij: "Johannes, die ik heb laten onthoofden, is verrezen." 17 Herodes had namelijk zelf bevolen om Johannes te arresteren en in de gevangenis vast te zetten, wegens Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus. Herodes was met haar getrouwd, 18 en Johannes had tegen Herodes gezegd: "U mag niet met uw schoonzus trouwen." 19 Daarom had Herodias een hekel aan Johannes. Ze wilde hem doden, maar ze kreeg daartoe niet de gelegenheid. 20 Herodes wist dat Johannes een rechtvaardige man was die een zuiver leven leidde. Herodes was bang voor Johannes en beschermde hem. Herodes luisterde graag naar Johannes, hoewel het hem in verlegenheid bracht. 21 Herodias zag haar kans schoon op de verjaardag van Herodes, toen hij een feestmaal hield voor zijn hoge functionarissen en militaire leiders en de vooraanstaande burgers van Galilea. 22 Toen Herodias' dochter kwam dansen, beleefden Herodes en zijn gasten daar zoveel plezier aan dat de koning tegen het meisje zei: "Vraag me wat je wil, en ik zal het je geven." 23 Hij zwoer haar: "Ik zal je alles geven wat je vraagt, al was het de helft van mijn koninkrijk." 24 Ze ging de zaal uit en zei tegen haar moeder: "Wat zal ik vragen?" Zij antwoordde: "Het hoofd van Johannes de Doper." 25 Het meisje haastte zich meteen terug naar binnen en zei tegen de koning: "Ik wil graag dat u mij onmiddellijk het hoofd van Johannes de Doper geeft, op een schaal." 26 De koning was zwaar aangeslagen, maar omwille van wat hij had gezworen in het bijzijn van zijn gasten wilde hij het haar niet weigeren. 27 Hij stuurde meteen een beul naar de gevangenis om het hoofd van Johannes te halen. De beul vertrok, onthoofdde Johannes 28 en kwam terug met zijn hoofd op een schaal. Hij gaf het aan het meisje en zij gaf het aan haar moeder. 29 Toen Johannes' leerlingen dit hoorden, haalden ze zijn lichaam op en legden het in een graf.

30 De apostelen kwamen bij Jezus terug en vertelden Hem alles wat ze hadden gedaan en wat ze aan de mensen hadden onderwezen. 31 Maar Hij zei tegen hen: "Ga naar een afgelegen plaats, waar jullie alleen kunnen zijn, en rust wat uit." Want het was zo’n komen en gaan dat ze zelfs niet aan eten toekwamen. 32 Daarom vertrokken ze per boot naar een afgelegen plaats om alleen te zijn. 33 Veel mensen die hen zagen wegvaren, herkenden hen. Ze haastten zich te voet vanuit alle steden naar die plaats, en kwamen vóór hen aan.

34 Toen Jezus uit de boot stapte, zag Hij een grote menigte en kreeg Hij medelijden met de mensen, want ze waren als schapen zonder herder. Daarom begon Hij hun van alles te leren. 35 Maar toen het laat begon te worden, kwamen zijn leerlingen bij Hem en zeiden: "Dit is een afgelegen plaats en het is al laat. 36 Stuur de mensen toch weg, zodat ze naar de gehuchten en dorpen in de omgeving kunnen gaan om voor zichzelf iets te kopen om te eten." 37 Maar Hij antwoordde: "Geven jullie hun maar te eten." Zij vroegen Hem: "Hoe kunnen wij voor tweehonderd denarie brood gaan kopen om aan al die mensen te geven?" 38 Jezus zei: "Ga eens kijken hoeveel broden jullie hebben." Ze gingen het na het en zeiden: "Vijf, en twee vissen." 39 Toen droeg Hij hun op tegen de mensen te zeggen dat ze in groepen op het groene gras moesten plaatsnemen. 40 Dus namen de mensen plaats in groepen van honderd en van vijftig. 41 Jezus nam de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog, naar de hemel, sprak een zegengebed uit, brak de broden in stukken en gaf die aan zijn leerlingen om uit te delen. Ook de twee vissen verdeelde Hij onder alle mensen. 42 Ze aten allen tot ze voldaan waren. 43 Daarna verzamelden ze de overgebleven brokken wel twaalf manden vol en de overgebleven vis. 44 Het aantal mannen dat had gegeten bedroeg vijfduizend.

45 Meteen daarna droeg Jezus zijn leerlingen op om in de boot te stappen en voor Hem uit naar Betsaïda over te steken terwijl Hij de menigte naar huis stuurde. 46 Nadat Hij afscheid van hen had genomen, ging Hij de berg op om te bidden. 47 Toen het avond werd, bevond de boot zich midden op het meer terwijl Hij nog alleen aan wal was. 48 Hij zag dat de leerlingen zich hard moesten inspannen om vooruit te roeien, want ze hadden de wind tegen. Tegen het einde van de nacht ging Hij hen achterna, al wandelend over het water. Toen Hij hen zou voorbijgaan, 49 zagen ze Hem op het meer wandelen. Ze dachten dat Hij een spook was en schreeuwden het uit. 50 Iedereen zag Hem allemaal en waren doodsbang. Meteen sprak Hij hen toe: "Wees gerust, Ik ben het. Wees niet bang." 51 Hij stapte bij hen in de boot en de wind ging liggen. Ze waren volkomen verbijsterd, 52 want ze hadden de les van de broden niet begrepen; hun hart was verstard.

53 Eenmaal overgestoken, kwamen ze aan land bij Gennesaret, waar ze aanmeerden. 54 Zodra ze uit de boot stapten, herkenden de mensen Jezus. 55 Ze doorkruisten de hele streek om hun zieken op draagmatten naar de plaats te dragen waarvan ze hoorden dat Hij daar was. 56 En waar Hij ook kwam dorpen, steden of platteland bracht men de zieken naar marktplaatsen en smeekte men Hem om slechts de kwast onderaan zijn mantel te mogen aanraken. Iedereen die Hem aanraakte, werd genezen.

Te Whakahāweatanga i a Īhu

1 Ā, haere ia i reira, ā, ka tae ki tōna kāinga tupu; me te aru anō āna ākonga i a ia. 2 Ā, ka taka mai te hāpati, ka anga ia, ka whakaako i roto i te whare karakia; ā, he tokomaha hoki, i rātou rongonga, i mīharo, i mea, "hea ēnei mea a tēnei tangata? He mātauranga aha tēnei kua hoatu nei ki a ia, ā, he aha te tikanga o ēnei merekara nunui kua oti nei i ōna ringa? 3 Ehara ianei tēnei i te kāmura, i te tama a Meri, i te tuakana o Hēmi, o Hohi, o Hūrā, o Haimona? Kāhore ianei ōna tuāhine i konei, i a tātou nei?" Heoi, ana rātou ki a ia.

4 Otirā, ka mea a Īhu ki a rātou, "Kei tōna kāinga anake, kei ōna whanaunga, kei tōna whare, te poropiti hapa ai i te hōnore."

5 Ā, kīhai ia i āhei te mea i tētahi merekara ki reira, heoi anō, ko te whakapā i ōna ringa ki ētahi tāngata tūroro torutoru kia ora ai. 6 Ā, mīharo ana ia ki rātou whakapono kore. , hāereerea ana e ia ngā kāinga ā tawhio noa, whakaako ai.

Ka Tonoa e Īhu ngā Ākonga Tekau Rua

7 Kātahi ia ka karanga i te tekau rua, ka anga, ka tono i a rātou tokorua, tokorua; ā, hoatu ana ki a rātou he mana hei pei i ngā wairua poke.

8 I whakahau ia ki a rātou, kia kaua tētahi mea e mauria ki te ara, he tokotoko anake kaua he pūtea, kaua he taro, kaua he moni roto i te whītiki. 9 Engari ngā , e here ; kaua hoki e takiruatia he koti hei kākahu. 10 I mea anō ia ki a rātou, "Ka tapoko ki tētahi whare, hei reira noho ai, ā, haere noa i reira. 11 Ā, ki te kāhore ētahi e manako ki a koutou, ki te kore e whakarongo ki a koutou, ina haere atu koutou i reira, ruia atu te puehu i raro i ō koutou waewae hei whakaatu ki a rātou."

12 , ka haere rātou, ka kauwhau kia rīpenetā te tangata. 13 He maha hoki ngā rēwera i peia, he tokomaha anō ngā tūroro i kaukauria ki te hinu, i whakaorangia.

Te Matenga o Hoani te Kaiiriiri

14 Ā, ka rongo a Kīngi Herora ki ēnei mea; kua nui haere hoki tōna ingoa, ā, ka mea ia, "Kua ara a Hoani Kaiiriiri i te hunga mate, reira i mahi ai ngā merekara i roto i a ia."

15 Ko ētahi i mea, "Ko Irāia tēnei."

Ko ētahi, "He poropiti ia, he pērā rānei me tētahi o ngā poropiti."

16 Heoi, i te rongonga o Herora, ka mea ia, "Ko Hoani tēnei i pōutoa e ahau te mātenga; kua ara ia."

17 I tono tāngata hoki taua Herora, ā, hopukia ana a Hoani, herea iho ki te whare herehere, he mea Herōriaha, te wahine a tōna tuakana a Piripi; kua mārenatia hoki e ia. 18 Hoani hoki i mea ki a Herora, "E kore e tika kia riro i a koe te wahine a tōu tuakana." 19 , ka mauāhara a Herōriaha ki a ia, ka mea kia whakamatea ia; heoi, kīhai i taea. 20 I hopohopo hoki a Herora ki a Hoani, i mōhio hoki ki a ia he tangata tika, he tapu, , ka āta tiaki i a ia. I tōna rongonga ki a ia he nui tōna pororaru; ā, i whakaahuareka anō ki te whakarongo ki a ia.

21 Ā, ka tae ki tētahi pai, i te takanga ai a Herora i tōna whānautanga, he hākari āna tāngata nunui, ngā rangatira hōia, ngā tino tāngata o Karirī. 22 Ā, ka haere te tamāhine a taua Herōriaha ki roto, ka kanikani, ka āhuareka a Herora rātou ko te hunga e noho tahi ana, ā, ka mea te kīngi ki te kōtiro , "Māu e tono ki ahau tāu e pai ai, ā, ka hoatu e ahau ki a koe." 23 , ka oati ia ki a ia, "Ko tāu e tono ai ki ahau, ahakoa ko tētahi taha o tōku rangatiratanga, me hoatu e ahau ki a koe."

24 , ka haere ia, ka kōrero ki tōna whaea, "Me tono e ahau ki te aha?"

Ka mea tērā, "Ki te mātenga o Hoani Kaiiriiri."

25 , hohoro tonu tōna haere ki te kīngi, ka tono, ka mea, "Ko tāku e pai ai, kia hōmai e koe ki ahau āianei ko te mātenga o Hoani Kaiiriiri i runga i te rīhi."

26 , nui atu te pōuri o te kīngi; otirā, i te whakaaro ki āna oati, ki te hunga hoki e noho tahi ana me ia, kīhai i pai kia whakakāhoretia tāna. 27 , tonoa tonutia atu e te kīngi tētahi o āna hōia kaitiaki me te whakahau atu kia mauria mai tōna mātenga. Ā, haere ana tērā, pōutoa iho e ia tōna mātenga i roto i te whare herehere, 28 ā, mauria mai ana tōna mātenga i runga i te rīhi, hoatu ana ki te kōtiro. Ā, te kōtiro i hoatu ki tōna whaea. 29 Ā, ka rongo āna ākonga, ka haere mai ka tangohia tōna tinana, ā, whakatakotoria ana ki te urupā.

Ka Whāngaia e Īhu te Rima Mano

30 , ka huihui ngā āpōtoro ki a Īhu, kōrerotia ana e rātou ki a ia ngā mea katoa i mea ai rātou, i whakaako ai. 31 , ka mea ia ki a rātou, "Haere mai koutou ki te koraha ki te wāhi motu , kia ai te manawa. He tokomaha hoki e haere mai ana, e haere atu ana, kīhai rawa rātou i wātea ki te kai." 32 Ā, haere puku ana rātou ki te koraha ki tētahi wāhi motu te kaipuke.

33 Ā, i kite ngā mano i rātou haerenga, he tokomaha i mātau ki a ia, , ka oma ā-waewae ki reira i roto i ngā katoa, ā, ko rātou kua tae wawe. 34 Ā, ka puta a Īhu, ka kite i te hui nui, ka aroha ki a rātou, te mea i rite rātou ki te hipi hēparakore; ā, ka anga ia, ka whakaako i a rātou ki ngā mea maha.

35 , kua heke noa atu te , ka haere atu āna ākonga ki a ia, ka mea, "He wāhi koraha tēnei, kua heke noa atu te . 36 Tonoa atu rātou kia haere ki ngā whenua, ki ngā kāinga i tētahi taha, i tētahi taha, ki te hoko kai rātou."

37 , ka whakahoki ia, ka mea ki a rātou, "koutou e hoatu he kai rātou."

Ka mea rātou ki a ia, "Me haere oti mātou ki te hoko taro ki ngā pene e rua rau, ka hoatu ai hei kai rātou?"

38 Ka mea ia ki a rātou, "E hia ā koutou taro? Tīkina tirohia."

Ka mōhio rātou, ka mea, "E rima, e rua hoki ngā ika."

39 Ka mea ia ki a rātou kia meinga rātou katoa kia noho, he nohoanga, he nohoanga, ki runga ki te tarutaru matomato. 40 , ka noho rātou, he rōpū, he rōpū, tātakirau, tātakirima tekau. 41 Ā, ka mau ia ki ngā taro e rima, ki ngā ika hoki e rua, ka titiro ki runga ki te rangi, ka whakapai, ka whawhati i ngā taro, ā, hoatu ana ki āna ākonga kia whakatakotoria rātou; i tuwhaina anō hoki e ia ngā ika e rua rātou katoa. 42 Ā, kai katoa ana rātou, ā, ka mākona. 43 Ā, kotahi tekau rua ngā kete i kohia e rātou, tonu i ngā whatiwhatinga, i ngā ika hoki. 44 Ā, me te mea e rima mano ngā tāne i kai taro .

Ka Hikoi a Īhu i runga i te Wai

45 Ā, akiaki tonu iho ia i āna ākonga kia eke ki te kaipuke, kia whakawhiti i mua i a ia ki tāwāhi, ki Petahaira, i a ia e tono ana i te mano kia haere. 46 , ka mutu tāna poroporoaki, ka haere ia ki te maunga ki te īnoi.

47 , kua ahiahi, i waenga moana te kaipuke, ko ia anake hoki i uta. 48 , ka kite ia i a rātou e ruwha ana i te hoenga; i hoki te hau ki a rātou; ā, i te whā o ngā mataaratanga o te ka haere atu ia ki a rātou, i haere māori atu i runga i te moana. Me te mea hoki ka pahika i a rātou. 49 Ā, ka kite rātou i a ia e haere ana i runga i te moana, ka mahara he wairua, ka auē; 50 i kite hoki rātou katoa i a ia, ā, ihiihi ana.

Otirā, ka hohoro ia te kōrero ki a rātou, ka mea ki a rātou, "Kia manawanui, ko ahau tēnei; kaua e wehi." 51 , ka eke ia ki te kaipuke ki a rātou; ā, māriri iho te hau. Ā, nui atu rātou ohomauri, mīharo ana. 52 Kīhai hoki i mahara ki ngā taro, he pakeke hoki ō rātou ngākau.

Ka Whakaorangia e Īhu te Hunga Tūroro i Kenehareta

53 Ā, rātou whitinga atu, ka tae ki te whenua o Kenehareta, ka herea te kaipuke ki uta. 54 rātou mahutatanga i te kaipuke, mōhio tonu rātou ki a ia, 55 Ā, ka oma puta noa i taua whenua, ā, tawhio noa, ka anga, ka mau mai i ngā tūroro i runga i ngā moenga ki te wāhi, i rongo ai rātou kei reira ia. 56 Ā, i ōna haerenga katoatanga ki ngā kāinga, ki ngā , ki ngā whenua rānei, ka whakatakotoria e rātou ngā tūroro ki ngā kāinga hokohoko, ka īnoi ki a ia kia kau atu rātou ki te tāniko o tōna kākahu, ā, ora ake ngā tāngata katoa i ki a ia.

Veja também

Bíblia Online Bíblia Online

Bíblia Online • Versão: 2026-07-05_12-11-46-