1 Après cela, j’entendis dans le ciel comme une voix forte d’une foule nombreuse qui disait: Alléluia! Le salut, la gloire, et la puissance sont à notre Dieu, 2 parce que ses Ap 15:3;16:7.jugements sont véritables et justes; car il a jugé la grande prostituée qui corrompait la terre par son impudicité, et il a vengé De 32:43.Ap 18:20.le sang de ses serviteurs en le redemandant de sa main. 3 Et ils dirent une seconde fois: Alléluia!… És 34:10.Ap 14:11;18:18.et sa fumée monte aux siècles des siècles. 4 Et les vingt-quatre vieillards et les quatre êtres vivants se prosternèrent et adorèrent Dieu assis sur le trône, en disant: Amen! Alléluia! 5 Et une voix sortit du trône, disant: Louez notre Dieu, vous tous ses serviteurs, vous qui le craignez, petits et grands! 6 Et j’entendis comme une voix d’une foule nombreuse, comme un bruit de grosses eaux, et comme un bruit de forts tonnerres, disant: Alléluia! Car le Seigneur notre Dieu tout-puissant est entré Ap 11:17.dans son règne. 7 Réjouissons-nous et soyons dans l’allégresse, et donnons-lui gloire; Mt 22:2.Lu 14:16.car les noces de l’agneau sont venues, et son épouse s’est préparée, 8 et il lui a été donné de se revêtir d’un fin lin, éclatant, pur. Car le fin lin, ce sont les œuvres justes des saints. 9 Et l’ange me dit: Écris: Heureux ceux qui sont appelés au festin de noces de l’agneau! Et il me dit: Ap 21:5.Ces paroles sont les véritables paroles de Dieu. 10 Ap 22:8.Et je tombai à ses pieds pour l’adorer; mais il me dit: Ac 10:26;14:14.Ap 22:9.Garde-toi de le faire! Je suis ton compagnon de service, et celui de tes frères qui ont le témoignage de Jésus. Adore Dieu. Car le témoignage de Jésus est l’esprit de la prophétie.
Victoire sur la bête et sur le faux prophète
11 Puis je vis le ciel ouvert, et voici, parut Ap 6:2.un cheval blanc. Celui qui le montait s’appelle Fidèle et Véritable, et il juge et combat avec justice. 12 Ses yeux étaient Ap 1:14.comme une flamme de feu; sur sa tête étaient plusieurs diadèmes; il avait un nom écrit, que personne ne connaît, si ce n’est lui-même; 13 et il était revêtu d’un vêtement És 63:1.teint de sang. Son nom est Jn 1:1.1 Jn 1:1.la Parole de Dieu. 14 Les armées qui sont dans le ciel le suivaient sur des chevaux blancs, revêtues Mt 28:3.Ap 4:4;7:9.d’un fin lin, blanc, pur. 15 Ap 2:16;19:21.De sa bouche sortait une épée aiguë, pour frapper les nations; il les paîtra Ps 2:9.Ap 2:27.avec une verge de fer; És 63:3.Ap 14:19,20.et il foulera la cuve du vin de l’ardente colère du Dieu tout-puissant. 16 Il avait sur son vêtement et sur sa cuisse un nom écrit: 1 Th 6:15.Ap 17:14.Roi des rois et Seigneur des seigneurs. 17 Et je vis un ange qui se tenait dans le soleil. Et il cria d’une voix forte, disant à tous les oiseaux qui volaient par le milieu du ciel: Jé 12:9.Éz 39:17.Venez, rassemblez-vous pour le grand festin de Dieu, 18 afin de manger la chair des rois, la chair des chefs militaires, la chair des puissants, la chair des chevaux et de ceux qui les montent, la chair de tous, libres et esclaves, petits et grands. 19 Et je vis la bête, et les rois de la terre, et leurs armées rassemblées pour faire la guerre à celui qui était assis sur le cheval et à son armée. 20 Et la bête fut prise, et avec elle le faux prophète, De 13:1.Mt 24:24.Ap 13:12,13;16:14.qui avait fait devant elle les prodiges par lesquels il avait séduit ceux qui avaient Ap 13:16.pris la marque de la bête et Ap 13:15.adoré son image. Ils furent tous les deux jetés Da 7:11.Ap 20:10.vivants dans l’étang ardent de feu et Ap 14:10.de soufre. 21 Et les autres furent tués par l’épée qui sortait de la bouche de celui qui était assis sur le cheval; et tous les oiseaux se rassasièrent de leur chair.
1 Daarna hoorde ik iets dat klonk als een luide stem van een grote menigte die riep: "Halleluja! De redding, luister en macht zijn van onze God. 2 Zijn oordelen zijn eerlijk en rechtvaardig. Hij heeft zijn oordeel voltrokken over de grote hoer die met haar ontucht de aarde te gronde richtte; Hij heeft haar gestraft voor het vergieten van het bloed van zijn dienaren." 3 En verder: "Halleluja, haar rook stijgt op voor eeuwig en altijd."
4 De vierentwintig oudsten en de vier wezens lieten zich voor God, die op de troon zit, neervallen om Hem te aanbidden met de woorden: "Amen, halleluja." 5 Vanaf de troon klonk een stem, die zei: "Prijs onze God, al zijn dienaren en jullie die ontzag voor Hem hebben, zowel de gewone mensen als de hooggeplaatsten."
6 Toen hoorde ik iets dat klonk als een luide stem van een grote menigte, als het geraas van vele rivieren, als het gebulder van zware donderslagen. De stem riep: "Halleluja, want de Heer, onze God, de Almachtige regeert. 7 Laten we ons verheugen en Hem eer bewijzen, want het huwelijksfeest van het lam is aangebroken en zijn bruid heeft zich gereedgemaakt. 8 Zij mag zich kleden in stralend wit linnen." Het linnen staat symbool voor het rechtvaardige gedrag van de mensen die bij God horen.
9 Toen zei de engel tegen mij: "Schrijf op: zij die voor het huwelijksfeest van het lam zijn uitgenodigd, zijn gezegend." Hij vervolgde: "Deze woorden zijn waar; het zijn Gods woorden." 10 Ik liet me in aanbidding aan zijn voeten neervallen, maar hij zei: "Doe dat niet; ik ben slechts een dienaar van God, net als jij en je broeders en zusters die over de getuigenis van Jezus beschikken. Je moet God aanbidden." De getuigenis van Jezus is wat de Geest de profeten ingeeft.
11 Toen zag ik dat de hemel was opengegaan. Daar stond een wit paard. De ruiter heet "Trouw en betrouwbaar"; zijn oordeel en zijn strijd zijn rechtvaardig. 12 Zijn ogen vlammen als vuur en op zijn hoofd draagt Hij veel diademen, waarin namen gegraveerd zijn die niemand kent behalve Hij. 13 Hij is gehuld in een in bloed gedrenkt gewaad en zijn naam luidt "Gods Woord". 14 De hemelse legers volgden Hem op witte paarden en gekleed in smetteloos wit, fijn linnen. 15 Uit zijn mond komt een scherp zwaard waarmee Hij de volken overwint; Hij zal over hen heersen met een ijzeren scepter en hen pletten in de druivenpers van de hevige toorn van de almachtige God. 16 Op zijn gewaad, ter hoogte van zijn dij, staat de naam "Koning boven alle koningen en Heer boven alle heren".
17 Toen zag ik een engel op de zon staan. Hij riep luid naar alle vogels die hoog in de lucht vlogen: "Kom, verzamel je voor het grote feestmaal van God. 18 Dan zullen jullie het vlees eten van koningen, het vlees van generaals, het vlees van machthebbers, het vlees van paarden en ruiters, het vlees van alle mensen, zowel de vrije als de onvrije, zowel de gewone als de hooggeplaatste." 19 Toen zag ik het beest en de koningen op aarde met hun legers; zij verzamelden zich om strijd te voeren tegen de ruiter op het paard en tegen zijn leger. 20 Het beest werd gevangengenomen, samen met de valse profeet die in zijn bijzijn de wonderlijke tekenen had verricht, waarmee hij de mensen had misleid die het merkteken van het beest hadden aanvaard en die zijn beeld aanbaden. De twee werden levend in de vuurpoel van brandende zwavel geworpen. 21 De anderen werden omgebracht met het zwaard dat uit de mond van de ruiter kwam, en alle vogels vraten zich vol.