1 Graças te darei de todo o meu coração; Diante dos deuses a ti cantarei louvores.2 Prostrar-me-ei diante do teu santo templo, E darei graças ao teu nome pela tua benignidade e pela tua verdade; Pois acima de todo o teu nome tens magnificado a tua palavra.3 No dia em que clamei, respondeste-me, Alentaste-me com fortaleza na minha alma.4 Todos os reis da terra te darão graças, ó Jeová; Porque têm ouvido as palavras da tua boca.5 Eles cantarão os caminhos de Jeová, Pois grande é a glória de Jeová.6 Embora Jeová seja excelso, contudo olha para os humildes; Mas os altivos, de longe os conhece ele.7 Se eu andar no meio da tribulação, tu me vivificarás: Contra a ira dos meus inimigos estenderás a tua mão, E a tua destra me salvará.8 Jeová aperfeiçoará o que me diz respeito a mim; A tua benignidade, Jeová, dura para sempre: Não abandones as obras das tuas mãos.
1 Een psalm van David. Ik zal U loven met mijn gehele hart; in de tegenwoordigheid der goden zal ik U psalmzingen.2 Ik zal mij nederbuigen naar het paleis Uwer heiligheid, en ik zal Uw Naam loven, om Uw goedertierenheid en om Uw waarheid; want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.3 Ten dage, als ik riep, zo hebt Gij mij verhoord; Gij hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.4 Alle koningen der aarde zullen U, o HEERE! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen Uws monds.5 En zij zullen zingen van de wegen des HEEREN, want de heerlijkheid des HEEREN is groot.6 Want de HEERE is hoog, nochtans ziet Hij de nederige aan, en den verhevene kent Hij van verre.7 Als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt Gij mij levend; Uw hand strekt Gij uit tegen den toorn mijner vijanden, en Uw rechterhand behoudt mij.8 De HEERE zal het voor mij voleinden; Uw goedertierenheid, HEERE! is in der eeuwigheid; en laat niet varen de werken Uwer handen.