1 Esperei com paciência por Jeová; Ele se inclinou para mim e ouviu o meu clamor por socorro.2 Também me tirou duma cova de perdição, dum tremedal de lama; Colocou os meus pés sobre uma rocha e firmou os meus passos.3 Pôs um novo cântico na minha boca, hino de louvor ao nosso Deus; Muitos verão isso, temerão, E confiarão em Jeová.4 Feliz é o homem que faz de Jeová a sua confiança, E não se virá para os arrogantes e para os apóstatas mentirosos.5 Muitas são, Jeová, Deus meu, as tuas maravilhas que tens feito, E bem assim os teus pensamentos para conosco; Ninguém há que se possa comparar a ti. Se eu quisesse declará-los e deles falar, São mais do que se podem contar.6 Em sacrifícios e em ofertas de cereais não te deleitas; Abriste-me os ouvidos: Holocaustos e ofertas pelo pecado, não os exigiste.7 Então disse eu: Eis que venho; No rolo do livro está escrito a meu respeito:8 Em fazer a tua vontade, Deus meu, eu me deleito; A tua lei está dentro do meu coração.9 Proclamei boas novas de justiça nas grandes congregações; Eis que não fechei os meus lábios, Tu, Jeová, o sabes.10 Não ocultei dentro do meu coração a tua justiça; Declarei a tua fidelidade e a tua salvação: Não escondi da grande congregação a tua benignidade e a tua verdade.11 Tu, Jeová, não me retirarás as tuas ternas misericórdias; A tua benignidade e a tua verdade sempre me guardarão.12 Pois me cercaram males inumeráveis, As minhas iniqüidades me alcansaram, e não posso ver; São mais que os cabelos da minha cabeça e o meu coração me desamparou.13 Digna-te, Jeová, livrar-me; Dá-te pressa, Jeová, em me socorrer.14 Sejam à uma envergonhados e confundidos Aqueles que buscam tirar-me a vida, Sejam obrigados a voltar atrás e cubram-se de ignomínia Aqueles que folgam com o meu mal.15 Fiquem desolados em razão da sua vergonha Os que me dizem: Ah! ah!16 Folguem e regozijem-se em ti Todos os que te buscam. Digam continuamente os que amam a tua salvação: Magnificado seja Jeová.17 Mas quanto a mim, pobre e necessitado, O Senhor cuida de mim. Tu és o meu amparo e o meu libertador; Não tardes, Deus meu.
1 Davids psalm, voor den opperzangmeester.2 Ik heb den HEERE lang verwacht; en Hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord.3 En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt.4 En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onzen Gode; velen zullen het zien, en vrezen, en op den HEERE vertrouwen.5 Welgelukzalig is de man, die den HEERE tot zijn vertrouwen stelt, en niet omziet naar de hovaardigen, en die tot leugen afwijken.6 Gij, o HEERE, mijn God! hebt Uw wonderen en Uw gedachten aan ons vele gemaakt, men kan ze niet in orde bij U verhalen; zal ik ze verkondigen en uitspreken, zo zijn zij menigvuldiger dan dat ik ze zou kunnen vertellen.7 Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geeist.8 Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven.9 Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands.10 Ik boodschap de gerechtigheid in de grote gemeente; zie, mijn lippen bedwing ik niet; HEERE! Gij weet het.11 Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.12 Gij, o HEERE! zult Uw barmhartigheden van mij niet onthouden; laat Uw weldadigheid en Uw trouw mij geduriglijk behoeden.13 Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten.14 Het behage U, HEERE! mij te verlossen; HEERE! haast U tot mijn hulp.15 Laat hen te zamen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken, om die te vernielen; laat hen achterwaarts gedreven worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.16 Laat hen verwoest worden tot loon hunner beschaming, die van mij zeggen: Ha, ha!17 Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers Uws heils geduriglijk zeggen: De HEERE zij groot gemaakt! [ (Psalms 40:18) Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de HEERE denkt aan mij; Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder; o mijn God! vertoef niet. ]