1 A ti, ó Deus, é devido em Sião um hino de louvor, E a ti se pagará o voto.2 Ó tu que ouves a oração, A ti virá toda a carne.3 Iniqüidades prevalecem contra mim; Mas as nossas transgressões, tu as expiarás.4 Feliz é aquele a quem escolhes e achegas, Para que habite em teus átrios: Seremos satisfeitos com a bondade da tua casa, do santo lugar do teu templo.5 Com coisas terríveis nos responderás em justiça, Ó Deus da nossa salvação, Tu que és a firme esperança de todos os confins da terra, E do mais remoto mar;6 Que por tua força firmas os montes, Cingido de poder;7 Que aquietas o ruído dos mares, o ruído das suas ondas, E o tumulto dos povos.8 Também os que habitam os mais remotos confins são tomados de medo à vista dos teus sinais; Fazes exultar de júbilo o oriente e o ocidente.9 Visitas a terra e a regas, Grandemente a enriqueces. As levadas de Deus correm cheias de água; Preparas-lhes o trigo, pois assim preparas a terra,10 Regando-lhe os sulcos, Aplanando-lhe as leivas. Tu a amoleces com chuviscos, Abençoas as suas novidades.11 Coroas o ano da tua bondade; E as tuas veredas destilam gordura,12 Destilam sobre as pastagens do deserto, E de júbilo se cingem os outeiros.13 As pastagens revestem-se de rebanhos, E os vales cobrem-se de trigo: Eles exultam de alegria, sim eles cantam.
1 Een psalm van David, een lied, voor den opperzangmeester.2 De lofzang is in stilheid tot U, o God! in Sion; en U zal de gelofte betaald worden.3 Gij hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen.4 Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij; maar onze overtredingen, die verzoent Gij.5 Welgelukzalig is hij, dien Gij verkiest, en doet naderen, dat hij wone in Uw voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis.6 Vreselijke dingen zult Gij ons in gerechtigheid antwoorden, o God onzes heils! o Vertrouwen aller einden der aarde, en der verre gelegenen aan de zee!7 Die de bergen vastzet door Zijn kracht, omgord zijnde met macht.8 Die het bruisen der zeeen stilt, het bruisen harer golven, en het rumoer der volken.9 En die op de einden wonen, vrezen voor Uw tekenen; Gij doet de uitgangen des morgens en des avonds juichen.10 Gij bezoekt het land, en hebbende het begerig gemaakt, verrijkt Gij het grotelijks; de rivier Gods is vol waters; wanneer Gij het alzo bereid hebt, maakt Gij hunlieder koren gereed.11 Gij maakt zijn omgeploegde aarde dronken; Gij doet ze dalen in zijn voren; Gij maakt het week door de druppelen; Gij zegent zijn uitspruitsel.12 Gij kroont het jaar Uwer goedheid; en Uw voetstappen druipen van vettigheid.13 Zij bedruipen de weiden der woestijn; en de heuvelen zijn aangegord met verheuging. [ (Psalms 65:14) De velden zijn bekleed met kudden, en de dalen zijn bedekt met koren; zij juichen, ook zingen zij. ]