1 Disse no seu coração o insensato: Não há Deus. Corromperam e fizeram abomináveis as suas ações; Não houve quem fizesse o bem.2 Deus olhou lá dos céus sobre os filhos dos homens, Para ver se havia alguém que tivesse entendimento, Que buscasse a Deus.3 Todos se desviaram, juntamente se fizeram imundos; Não há quem faça o bem, não há nem sequer um.4 Acaso não têm conhecimento os que obram a iniqüidade? Os quais comem o meu povo como comem pão, E não invocam a Deus.5 Ali ficaram eles tomados de grande pavor, onde não havia motivo de pavor: Porque Deus dispersou os ossos daquele que se acampou contra ti; Tu os envergonhaste, porque Deus os rejeitou.6 Oxalá que a salvação de Israel tivesse já vindo de Sião! Quando Deus puser termo ao cativeiro do seu povo, Regozije-se Jacó e alegre-se Israel. zifitas vieram dizer a Saul: Porventura não se esconde Davi entre nós?
1 Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op Machalath.2 De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God; zij verderven het, en zij bedrijven gruwelijk onrecht; er is niemand, die goed doet.3 God heeft van den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht.4 Een ieder van hen is teruggekeerd, te zamen zijn zij stinkende geworden, er is niemand, die goed doet, ook niet een.5 Hebben dan de werkers der ongerechtigheid geen kennis, die Mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen God niet aan.6 Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard geworden, waar geen vervaardheid was; want God heeft de beenderen desgenen, die u belegerde, verstrooid; gij hebt hen beschaamd gemaakt, want God heeft hen verworpen. [ (Psalms 53:7) Och, dat Israels verlossingen uit Sion kwamen! Als God de gevangenen Zijns volks zal doen wederkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israel zal verblijd zijn. ]