Publicidade

Romanos 8

MRI2012

1 Wie bij Christus Jezus hoort, is dus niet langer veroordeeld. 2 Dankzij Christus Jezus heeft de wet van de Geest, die tot het leven leidt, je namelijk bevrijd van de wet van zonde en de dood. 3 Door zijn eigen Zoon te sturen in een lichaam zoals dat van zondige mensen, heeft God komaf gemaakt met de zonde in de menselijke natuur. De Wet was daartoe niet in staat, want zij wordt tegengewerkt door onze zondige natuur. 4 Wij die ons niet laten leiden door onze zondige natuur maar door de Geest, voldoen daarom aan de vereisten van de Wet. 5 Want wie zich door de zondige natuur laat leiden, volgt de denkwijze van de zondige natuur, maar wie zich door de Geest laat leiden, volgt de denkwijze van de Geest. 6 Het volgen van de denkwijze van de zondige natuur leidt tot de dood, maar het volgen van de denkwijze van de Geest leidt tot leven en vrede. 7 De denkwijze van de zondige natuur staat vijandig tegenover God, want zij weigert het gezag van Gods wet te aanvaarden. Zij kan dat zelfs niet. 8 En wie zich laat leiden door de zondige natuur, kan niet doen wat God goedkeurt. 9 Jullie daarentegen laten je niet leiden door je zondige natuur, maar door de Geest, althans wanneer Gods Geest in jullie woont. Wie de Geest van Christus echter niet heeft, behoort Hem niet toe. 10 Maar als Christus in je is, gaat je lichaam wel dood wegens de zonde, maar schenkt de Geest jou leven omdat je bent vrijgesproken van schuld. 11 Als de Geest van Degene die Jezus uit de dood heeft opgewekt in je woont, dan zal Hij die Christus uit de dood heeft opgewekt, ook jouw sterfelijk lichaam levend maken, door zijn Geest die in je woont. 12 Broeders en zusters, we staan dus in het krijt, maar niet bij de zondige natuur. We hoeven ons dus niet door de zondige natuur te laten leiden. 13 Want als je je door de zondige natuur laat leiden, is het zeker dat je zal sterven. Maar als je met de hulp van de Geest afrekent met de praktijken van de zondige natuur, dan zal je leven. 14 Want iedereen die zich door Gods Geest laat leiden, is een kind van God. 15 De Geest die jullie hebben ontvangen, maakt jullie niet tot slaven; in dat geval zouden jullie opnieuw in angst moeten leven. Integendeel, de Geest die jullie hebben ontvangen, maakt jullie tot zonen, zodat we Hem "Abba, Vader" mogen noemen. 16 En het is die Geest die, samen met onze geest, ons ervan overtuigt dat wij kinderen van God zijn. 17 En omdat we zijn kinderen zijn, zullen we, samen met Christus, ontvangen wat God aan zijn kinderen heeft beloofd. Nu delen we in zijn lijden, maar straks mogen we ook delen in zijn glorie.

18 Ik ben ervan overtuigd dat het tegenwoordige lijden niet opweegt tegen de glorie die wij zullen ervaren. 19 De schepping kijkt namelijk reikhalzend uit naar het moment waarop die glorie van Gods kinderen zichtbaar zal worden. 20 Immers, de schepping werd aan een zinloos bestaan onderworpen; niet vrijwillig, maar doordat God daartoe besloot. Toch is er hoop: 21 ook de schepping zal van de macht van de dood worden bevrijd en deel krijgen aan de vrijheid en glorie van Gods kinderen. 22 Zoals we weten, zucht de hele schepping tot nu toe alsof ze barensweeën heeft. 23 En niet alleen de schepping; wij die Gods Geest hebben ontvangen als een voorschot op wat nog komt, zuchten zelf ook, terwijl we uitkijken naar het moment waarop geopenbaard wordt dat wij Gods kinderen zijn en onze verlossing volledig zal zijn. 24 Wij zijn gered met deze verwachting voor ogen. Maar als wij zouden uitkijken naar iets dat reeds zichtbaar is, zou het geen verwachting zijn. Wie zou iets verwachten dat hij reeds ziet? 25 Maar wanneer we iets verwachten dat we niet zien, kijken we er geduldig naar uit. 26 Bovendien komt de Geest ons te hulp waar wij tekortschieten. Wij weten namelijk niet hoe we naar behoren moeten bidden, maar de Geest pleit voor ons, met verzuchtingen die te diep voor woorden zijn. 27 En Hij die de mensenharten doorgrondt, begrijpt wat de Geest bedoelt, want de Geest pleit overeenkomstig Gods wil voor wie bij Hem horen. 28 Wij weten dat God alles doet meewerken ten goede voor de mensen die van Hem houden, die volgens zijn plan geroepen zijn. 29 Want wie Hij van tevoren gekozen had, is ook door Hem voorbestemd om op zijn Zoon te gaan lijken, opdat Deze, de Eerstgeborene, veel broers en zussen zou hebben. 30 Zij die door God waren voorbestemd, zijn ook door Hem geroepen. En zij die door Hem zijn geroepen, zijn ook door Hem vrijgesproken van schuld. En zij mogen delen in zijn glorie.

31 Wat kunnen we hieruit concluderen? Als God voor ons is, wie zou dan tegen ons zijn? 32 Als God ons zijn Zoon niet heeft onthouden maar Hem prijsgaf voor ons allen, zou er dan iets zijn dat Hij ons niet zou schenken? 33 Wie zal Gods uitverkorenen aanklagen? Het is God die vrijspreekt. 34 Wie is het die veroordeelt? Het is Christus Jezus die gestorven is en meer nog: die verrezen is, die zich aan Gods rechterzijde bevindt, en die voorspraak voor ons doet. 35 Wie kan ons van Christus' liefde scheiden? Leed, ellende, vervolging, honger, naaktheid, gevaar of het zwaard? 36 Zo staat het ook in de Schriften: "Omwille van U worden wij de hele dag met de dood bedreigd, we worden behandeld als schapen voor de slacht." 37 Maar in dit alles behalen wij een glansrijke overwinning, dankzij Hem die ons zijn liefde heeft betoond. 38 Ik ben er namelijk van overtuigd dat noch de dood, noch het leven, noch engelen of demonen, noch machten in het heden of in de toekomst, 39 noch iets dat zich boven of onder ons bevindt, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van Gods liefde, die Hij ons bewezen heeft in Christus Jezus, onze Heer.

Te Ora i roto i te Wairua

1 , kāhore e tau te ināianei ki te hunga i roto i a Karaiti Īhu. 2 te ture hoki a te Wairua o te ora i roto i a Karaiti Īhu ahau i ātea ai i te ture a te hara, a te mate. 3 Ko te mea kīhai i taea e te ture, he ngoikore nōna i te kikokiko, tonoa mai ana e te Atua tāna Tama, i te āhua o te kikokiko hara, hei whakahere anō te hara, ā, whakataua ana e ia te ki te hara i roto i te kikokiko. 4 Kia rite ai te ture tikanga i roto i a tātou, kāhore nei e haere i runga i te kikokiko, engari, i te Wairua.

5 Ko te hunga hoki i runga i te kikokiko, whakaaro ana rātou ki ō te kikokiko; ko te hunga ia i runga i te Wairua, ki ō te Wairua. 6 Ko te kikokiko whakaaro hoki he mate, ko te Wairua ia he ora, he rangimārie. 7 He tikanga whawhai hoki ki te Atua te whakaaro ki te kikokiko e kore nei hoki e ngāwari ki te ture a te Atua, kāhore anō e āhei kia ngāwari; 8 ā, e kore e taea e te hunga i te kikokiko te whakamānawareka ki te Atua.

9 Otiia, kāhore koutou i te kikokiko, engari, i te Wairua, ki te mea e noho ana te Wairua o te Atua i roto i a koutou. Ki te kāhore ia te Wairua o te Karaiti i tētahi, ehara tēnei i a ia. 10 Tēnā, ki te mea kei roto a te Karaiti i a koutou, he tūpāpaku te tinana i te hara, he ora ia te wairua i te tika. 11 Ki te noho ia i roto i a koutou te Wairua o te kaiwhakaara o Īhu i te hunga mate, māna, te kaiwhakaara o Karaiti Īhu i roto i te hunga mate, e whakaora ake anō ō koutou tinana mate ki tōna Wairua e noho i roto i a koutou.

12 reira, e ōku tēina, kāhore he tikanga o te kikokiko kei runga i a tātou, kia whai tātou i tāna. 13 Ki te noho hoki koutou i runga i te kikokiko, ka mate koutou; ki te mea ia ka whakamate koutou i ngā mahi a te tinana, he mea te Wairua, ka ora koutou. 14 Ko te hunga hoki e ārahina ana e te Wairua o te Atua, he tama rātou te Atua. 15 He teka hoki he wairua pononga kua riro nei i a koutou, e mataku ai anō koutou; engari, kua riro i a koutou te Wairua e mea ana i a koutou hei tamariki ake, e karanga ai koutou, "E Apa, e !" 16 Ko taua Wairua anō hei whakaae ake ki ō tātou wairua, he tamariki tātou te Atua. 17 Ki te mea hoki he tamariki, kāti tātou te kāinga; tātou te kāinga o te Atua, tātou tahi ko te Karaiti; kia mamae rawa ake ai tātou tahi me ia, ka whakakorōriatia ngātahitia tātou me ia.

Te Korōria kei te Haere mai

18 Ki tōku whakaaro iho hoki, he kore noa iho ngā mamae o tēnei , ki te whakaritea ki te korōria e whakakitea mai ki a tātou ā mua. 19 Ko te tūmanako hoki o te mea i hangā e tatari ana ki te whakakitenga mai o ngā tama a te Atua. 20 Kua meinga hoki te tekateka noa hei rangatira te mea i hangā, ehara i te mea tēnei ake i whakaae, engari, te kaiwhakarite i pai ai, i runga i te tūmanako, 21 tērā taua mea i hangā e whakaateatia mai i te whakataurekarekatanga a te pirau, whakarangatiratia ake ki roto ki te korōria o ngā tamariki a te Atua.

22 E mōhio ana hoki tātou, kei te ngunguru tahi, kei te mamae tahi, ngā mea hanga katoa taea noatia tēnei . 23 Ehara i te mea ko tērā anake, engari, ko tātou anō hoki kua whiwhi nei ki te hua mātāmua, arā ki te Wairua, inā, e auē ana hoki tātou i roto i a tātou, e tatari ana ki te whakatamarikitanga, arā ki te whakaoranga o ō tātou tinana. 24 te tūmanako hoki tātou i ora ai. Tēnā, ka kitea te mea e tūmanakohia atu ana, kore ake te tūmanako. Ko wai oti e tūmanako ki te mea e kitea nei e ia? 25 Ki te tūmanako atu ia tātou ki te mea kāhore nei e kitea, kātahi ka āta tāria māriretia atu e tātou.

26 Waihoki ko te wairua hei hoa tātou e ngoikore nei. Kāhore hoki tātou e mātau me pēhea e tika ai tātou īnoi; otiia, ko te Wairua tonu anō te īnoi ana tātou ki ōna auē e kore nei e taea te whakahua. 27 Ā, ko te kaititiro i ngā ngākau, e mōhio ana ki te hinengaro o te Wairua, ko tērā hoki e īnoi ana te hunga tapu i runga i te Atua i pai ai.

28 , e mātau ana tātou, kei te mahi tahi ngā mea katoa i te pai te hunga e aroha ana ki te Atua, arā te hunga i karangatia i runga i tāna i whakatakoto ai. 29 Ko āna hoki i mōhio ai i mua, i whakaritea anō e ia i mua kia rite ki te āhua o tāna Tama, kia ai ia hei muanga i roto i ngā tēina tokomaha. 30 Ā, ko āna i whakarite ai i mua, ko ēnā anō i karangatia e ia; ā, ko āna i karanga ai, ko ēnā anō i whakatikaia e ia; ā, ko āna i whakatika ai, ko ēnā anō i whakakorōriatia e ia.

Te Aroha o te Atua i roto i a Īhu Karaiti

31 , kia pēhea tātou kōrero ki ēnei mea? Ki te mea ko te Atua hei hoa tātou, ko wai hei whawhai ki a tātou? 32 Ko ia kīhai nei i kaiponu i tāna ake Tama, heoi, tukua mai ana e ia tātou katoa, e kore ianei ia e tāpiri noa mai ki a ia i ngā mea katoa tātou? 33 Ko wai hei whakapā ki ā te Atua i whiriwhiri ai? Ko te Atua hei whakatika. 34 Ko wai ianei hei whakatau ? Ko Karaiti Īhu , i mate nei, āe rawa hoki, ko ia kua whakaarahia ake nei i te mate, ā, kei te ringa matau o te Atua, ko ia hoki kei te īnoi tātou. 35 wai tātou e momotu i te aroha o te Karaiti? te whakapāwera rānei, te mamae, te whakatoi, te matekai, te kākahukore, te mate ka tata, te hoari rānei? 36 Ko te mea hoki ia i tuhituhia:

"te whakaaro ki a koe

mātou i whakamatea ai i te roa nei;

kīia ana mātou hei hipi e patua ana."

37 Engari, i ēnei mea katoa hira ake te wikitōria i a tātou, he mea nāna i aroha nei ki a tātou. 38 Ū tonu hoki tōku whakaaro, e kore te mate, te ora rānei, e kore ngā anahera, ngā rangatiratanga rānei, e kore ngā mea onāianei, e kore ngā mea e puta mai ā mua, e kore ngā mana, 39 e kore te tiketike, e kore te hōhonu, e kore tētahi atu mea hangā, e kaha ki te momotu i a tātou i te aroha o te Atua, i tērā i roto nei i a Karaiti Īhu, i tātou Ariki.

Veja também

Bíblia Online Bíblia Online

Bíblia Online • Versão: 2026-07-05_12-11-46-