Pular para o conteúdo
Publicidade

João 13

GBV

Célébration de la Pâque. Jésus lave les pieds de ses disciples

1 Avant Mt 26:2.Mc 14:1.Lu 12:1.la fête de Pâque, Jésus, sachant que son heure était venue de passer de ce monde au Père, et ayant aimé les siens qui étaient dans le monde, mit le comble à son amour pour eux. 2 Pendant le souper, Lu 22:3.Jn 13:27.lorsque le diable avait déjà inspiré au cœur de Judas Iscariot, fils de Simon, le dessein de le livrer, 3 Jésus, qui savait Mt 11:27.Jn 3:35.que le Père avait remis toutes choses entre ses mains, Jn 16:28.qu’il était venu de Dieu, et qu’il s’en allait à Dieu, 4 se leva de table, ôta ses vêtements, et prit un linge, dont il se ceignit. 5 Ensuite il versa de l’eau dans un bassin, et il se mit à laver les pieds des disciples, et à les essuyer avec le linge dont il était ceint. 6 Il vint donc à Simon Pierre; et Pierre lui dit: Toi, Seigneur, Mt 3:14.tu me laves les pieds! 7 Jésus lui répondit: Ce que je fais, tu ne le comprends pas maintenant, mais tu le comprendras bientôt.8 Pierre lui dit: Non, jamais tu ne me laveras les pieds. Jésus lui répondit: Si je ne te lave, tu n’auras point de part avec moi.9 Simon Pierre lui dit: Seigneur, non seulement les pieds, mais encore les mains et la tête. 10 Jésus lui dit: Celui qui est lavé n’a besoin que de se laver les pieds pour être entièrement pur;Jn 15:3.et vous êtes purs, mais non pas tous.11 Jn 6:64.Car il connaissait celui qui le livrait; c’est pourquoi il dit: Vous n’êtes pas tous purs. 12 Après qu’il leur eut lavé les pieds, et qu’il eut pris ses vêtements, il se remit à table, et leur dit: Comprenez-vous ce que je vous ai fait?

13 Mt 23:8,10.1 Co 8:6;12:3.Ph 2:11.Vous m’appelez Maître et Seigneur; et vous dites bien, car je le suis.14 Si donc je vous ai lavé les pieds, moi, le Seigneur et le Maître,Ga 6:1,2.vous devez aussi vous laver les pieds les uns aux autres;15 1 Pi 2:21.1 Jn 2:6.car je vous ai donné un exemple, afin que vous fassiez comme je vous ai fait.16 En vérité, en vérité, je vous le dis,Mt 10:24.Lu 6:40.Jn 15:20.le serviteur n’est pas plus grand que son seigneur, ni l’apôtre plus grand que celui qui l’a envoyé.17 Si vous savez ces choses, vous êtes heureux, pourvu que vous les pratiquiez.

La trahison de Judas dévoilée

18 Ce n’est pas de vous tous que je parle; je connais ceux que j’ai choisis. Mais il faut que l’Écriture s’accomplisse:

Ps 41:10.Mt 26:23.1 Jn 2:19.Celui qui mange avec moi le pain

A levé son talon contre moi.

19 Jn 14:29;16:4.Dès à présent je vous le dis, avant que la chose arrive, afin que, lorsqu’elle arrivera, vous croyiez à ce que je suis.20 En vérité, en vérité, je vous le dis,Mt 10:40.Lu 10:16.celui qui reçoit celui que j’aurai envoyé me reçoit, et celui qui me reçoit, reçoit celui qui m’a envoyé.21 Mt 26:21.Mc 14:18.Lu 22:21.Ac 1:17.1 Jn 2:19.Ayant ainsi parlé, Jésus fut troublé en son esprit, et il dit expressément: En vérité, en vérité, je vous le dis, l’un de vous me livrera.22 Les disciples se regardaient les uns les autres, ne sachant de qui il parlait. 23 Jn 20:2;21:7,20.Un des disciples, celui que Jésus aimait, était couché sur le sein de Jésus. 24 Simon Pierre lui fit signe de demander qui était celui dont parlait Jésus. 25 Et ce disciple, s’étant penché sur la poitrine de Jésus, lui dit: Seigneur, qui est-ce? 26 Jésus répondit: C’est celui à qui je donnerai le morceau trempé. Et, ayant trempé le morceau, il le donna à Judas, fils de Simon, l’Iscariot. 27 Dès que le morceau fut donné, Satan entra dans Judas. Jésus lui dit: Ce que tu fais, fais-le promptement.28 Mais aucun de ceux qui étaient à table ne comprit pourquoi il lui disait cela; 29 car quelques-uns pensaient que, Jn 12:6.comme Judas avait la bourse, Jésus voulait lui dire: Achète ce dont nous avons besoin pour la fête, ou qu’il lui commandait de donner quelque chose aux pauvres. 30 Judas, ayant pris le morceau, se hâta de sortir. Il était nuit.

Derniers entretiens et discours de Jésus avec ses disciples. Questions des apôtres Pierre, Thomas, Philippe, Jude. Instructions, consolations et promesses: l’amour fraternel; l’envoi du Saint-Esprit; la paix de Jésus; le cep et les sarments; la haine du monde; les persécutions; la tristesse changée en joie; le revoir. Les adieux du départ. Foi des disciples

31 Lorsque Judas fut sorti, Jésus dit: Maintenant, le Fils de l’homme a été glorifié, et Dieu a été glorifié en lui.

32 Si Dieu a été glorifié en lui, Dieu aussi le glorifiera en lui-même,Jn 12:23;17:1.et il le glorifiera bientôt.33 Mes petits enfants, je suis pour peu de temps encore avec vous.Jn 7:34;8:21.Vous me chercherez; et, comme j’ai dit aux Juifs: Vous ne pouvez venir je vais, je vous le dis aussi maintenant.34 Lé 19:18.Mt 22:39.Jn 15:12.Ép 5:2.1 Th 4:9.1 Pi 4:8.1 Jn 3:23;4:21.Je vous donne un commandement nouveau: Aimez-vous les uns les autres; comme je vous ai aimés, vous aussi, aimez-vous les uns les autres.35 1 Jn 2:5;4:20.A ceci tous connaîtront que vous êtes mes disciples, si vous avez de l’amour les uns pour les autres.

36 Jn 21:18.2 Pi 1:14.Simon Pierre lui dit: Seigneur, vas-tu? Jésus répondit: Tu ne peux pas maintenant me suivre je vais, mais tu me suivras plus tard.37 Seigneur, lui dit Pierre, pourquoi ne puis-je pas te suivre maintenant? Mt 26:33.Mc 14:29.Lu 22:33.Je donnerai ma vie pour toi. 38 Jésus répondit: Tu donneras ta vie pour moi!Mt 26:34.Mc 14:30.Lu 22:34.En vérité, en vérité, je te le dis, le coq ne chantera pas que tu ne m’aies renié trois fois.

1 Het was vlak voor het Pesachfeest. Jezus wist dat zijn moment was gekomen: Hij zou vanuit deze wereld naar de Vader toe gaan. Hij had de mensen in deze wereld die bij Hem horen lief en heeft hen tot het einde liefgehad. 2 Na de maaltijd gebeurde het volgende: de duivel had het idee om Jezus te verraden al in het hart van Judas, zoon van Simon van Iskariot, gelegd. 3 Jezus wist dat de Vader Hem alle macht had gegeven en dat Hij van God kwam en naar God zou terugkeren. 4 Hij stond op van tafel, trok zijn bovenkleed uit en sloeg een handdoek om. 5 Toen goot Hij water in het waskruikje en begon Hij de voeten van zijn leerlingen te wassen. Hij droogde ze met de handdoek die Hij had omgeslagen. 6 Toen Hij bij Simon Petrus kwam, protesteerde deze: "Heer, U wil mijn voeten wassen?" 7 Jezus antwoordde: "Je begrijpt nu nog niet wat Ik doe, maar je zal het later begrijpen." 8 Petrus zei: "U mijn voeten wassen? Dat nooit!" Maar Jezus antwoordde: "Als Ik je niet was, kan je niet bij Mij horen." 9 Toen zei Simon Petrus: "Heer, was in dat geval niet enkel mijn voeten, maar ook mijn handen en hoofd." 10 Jezus antwoordde: "Wie reeds in bad is geweest, hoeft enkel zijn voeten nog te wassen, maar is verder helemaal schoon. Jullie zijn dus schoon, maar niet allemaal." 11 Hij wist namelijk wie Hem zou uitleveren; het was daarom dat Hij zei: "Jullie zijn niet allemaal schoon."

12 Toen Hij hun voeten had gewassen, trok Hij zijn bovenkleed weer aan, nam weer plaats aan tafel, en vroeg: "Begrijpen jullie wat Ik heb gedaan? 13 Jullie noemen Mij Leraar en Heer, en dat is terecht, want dat is wat Ik ben. 14 En als Ik, de Heer en Leraar, jullie voeten heb gewassen, dan moeten jullie ook elkaars voeten wassen. 15 Ik heb jullie het voorbeeld gegeven; hetgeen Ik bij jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen. 16 Ik zeg jullie nadrukkelijk, een slaaf staat niet boven zijn meester en een afgezant staat niet boven degene die hem heeft gestuurd. 17 Je bent gezegend als je dit niet alleen begrijpt, maar het ook in praktijk brengt."

18 "Ik heb het niet over jullie allen. Ik weet wie Ik heb uitgekozen, maar in de Schriften staat: Hij die samen met mij brood at, heeft zich tegen Mij gekeerd, en dat moet in vervulling gaan. 19 Ik zeg het jullie reeds nu, voordat het zover is, opdat jullie wanneer het gebeurt, zullen geloven dat Ik het ben. 20 Ik zeg jullie nadrukkelijk, wie iemand verwelkomt die door Mij is gezonden, verwelkomt Mij en wie Mij verwelkomt, verwelkomt Degene die Mij heeft gezonden."

21 Nadat Hij dit had gezegd, raakte Jezus hevig ontsteld. Hij verklaarde: "Ik zeg jullie nadrukkelijk, een van jullie zal Mij verraden." 22 Zijn leerlingen keken elkaar aan en vroegen zich vertwijfeld af wie Hij bedoelde. 23 Eén van zijn leerlingen, de leerling van wie Jezus veel hield, bevond zich naast Jezus aan tafel. 24 Simon Petrus gaf die leerling een teken dat die Jezus moest vragen wie Hij bedoelde. 25 De leerling boog zich dicht naar Jezus toe en vroeg: "Heer, wie is het?" 26 Jezus antwoordde: "Ik zal een stuk brood in de schaal dopen en de persoon aan wie Ik het geef, die is het." Daarop doopte Jezus een stuk brood in de schotel en gaf het aan Judas, zoon van Simon Iskariot. 27 Zodra deze het stuk brood had aangenomen, drong Satan in hem binnen. Jezus zei tegen hem: "Ga nu doen wat je van plan bent." 28 Niemand aan tafel begreep waarom Hij dit tegen hem zei. 29 Omdat Judas de kas beheerde, meenden sommigen dat Jezus hem opdroeg om iets te kopen dat nodig was voor het feest, of om iets te geven aan de armen. 30 Meteen nadat Judas het stuk brood had aangenomen, ging hij naar buiten, de nacht in.

31 Toen Judas weg was, zei Jezus: "Nu wordt de grootheid van de Mensenzoon zichtbaar en wordt in Hem ook Gods grootheid zichtbaar. 32 En wanneer de Mensenzoon Gods grootheid zichtbaar heeft gemaakt, zal God zelf ook de grootheid van de Mensenzoon zichtbaar maken. Dat zal heel binnenkort gebeuren. 33 Lieve kinderen, Ik zal nog even bij jullie zijn. Dan zullen jullie Mij zoeken, en wat Ik tegen iedereen heb gezegd, zeg Ik nu ook tegen jullie: waar Ik naartoe ga, kunnen jullie niet komen. 34 Ik geef jullie een nieuw gebod: ga liefdevol met elkaar om. Zoals Ik jullie heb liefgehad, moeten jullie elkaar liefhebben. 35 Hieraan zal iedereen jullie herkennen als mijn leerlingen: aan jullie liefde voor elkaar." 36 Simon Petrus vroeg Hem: "Heer, waar gaat U naartoe?" Jezus antwoordde: "Waar Ik naartoe ga, kan jij Mij nu niet volgen, maar later zal je Me daarheen volgen." 37 Petrus vroeg Hem: "Heer, waarom kan ik U nu nog niet volgen? Ik ben bereid om mijn leven voor U te geven." 38 Jezus antwoordde: "Jij bent bereid om voor Mij je leven te geven? Ik zeg je nadrukkelijk, voordat er een haan kraait, zal jij Mij driemaal hebben verloochend.

Veja também