La prière sacerdotale
1 Après avoir ainsi parlé, Jésus leva les yeux au ciel, et dit: Père,Jn 13:23;13:32.l’heure est venue! Glorifie ton Fils, afin que ton Fils te glorifie,
2 Ps 8:7.Mt 11:27;28:18.Lu 10:22.Jn 3:35;5:27.1 Co 15:25.Ph 2:10.Hé 2:8.selon que tu lui as donné pouvoir sur toute chair, afin qu’il accorde la vie éternelle à tous ceux que tu lui as donnés.3 Or,És 53:11.Jé 9:23.la vie éternelle, c’est qu’ils te connaissent, toi, le seul vrai Dieu, et celui que tu as envoyé, Jésus-Christ.4 Jn 13:32;14:13.Je t’ai glorifié sur la terre,Jn 4:34;19:30.j’ai achevé l’œuvre que tu m’as donnée à faire.5 Et maintenant toi, Père, glorifie-moi auprès de toi-même de la gloireJn 1:1,2;10:30;14:9.que j’avais auprès de toi avant que le monde fût.6 J’ai fait connaître ton nom aux hommes que tu m’as donnés du milieu du monde. Ils étaient à toi, et tu me les as donnés; et ils ont gardé ta parole.7 Maintenant ils ont connu que tout ce que tu m’as donné vient de toi.8 Car je leur ai donné les paroles que tu m’as données; et ils les ont reçues,Jn 16:27.et ils ont vraiment connu que je suis sorti de toi, et ils ont cru que tu m’as envoyé.9 C’est pour eux que je prie. Je ne prie pas pour le monde, mais pour ceux que tu m’as donnés, parce qu’ils sont à toi;10 etJn 16:15.tout ce qui est à moi est à toi, et ce qui est à toi est à moi; et je suis glorifié en eux.11 Je ne suis plus dans le monde, et ils sont dans le monde, et je vais à toi. Père saint, garde en ton nom ceux que tu m’as donnés, afin qu’ils soient un comme nous.12 Jn 6:39;10:28;18:9.Lorsque j’étais avec eux dans le monde, je les gardais en ton nom.És 8:18.Hé 2:13.J’ai gardé ceux que tu m’as donnés, et aucun d’eux ne s’est perdu, sinon le fils de perdition,Ps 109:8.afin que l’Écriture fût accomplie.13 Et maintenant je vais à toi, et je dis ces choses dans le monde, afin qu’ils aient en eux ma joie parfaite.14 Je leur ai donné ta parole;Jn 15:19.et le monde les a haïs, parce qu’ils ne sont pas du monde, comme moi je ne suis pas du monde.15 Je ne te prie pas de les ôter du monde, mais de les préserver du mal.16 Ils ne sont pas du monde, comme moi je ne suis pas du monde.17 Sanctifie-les par ta vérité:Jn 8:40.ta parole est la vérité.18 Jn 20:21.Comme tu m’as envoyé dans le monde, je les ai aussi envoyés dans le monde.19 1 Co 1:2,30.1 Th 4:7.Et je me sanctifie moi-même pour eux, afin qu’eux aussi soient sanctifiés par la vérité.20 Ce n’est pas pour eux seulement que je prie, mais encore pour ceux qui croiront en moi par leur parole,21 Jn 10:38;14:11.Ga 3:28.afin que tous soient un, comme toi, Père, tu es en moi, et comme je suis en toi, afin qu’eux aussi soient un en nous, pour que le monde croie que tu m’as envoyé.22 Je leur ai donné la gloire que tu m’as donnée, afin qu’ils soient un comme nous sommes un,23 moi en eux, et toi en moi, afin qu’ils soient parfaitement un, et que le monde connaisse que tu m’as envoyé et que tu les as aimés comme tu m’as aimé.24 Jn 12:26;14:3.Père, je veux que là où je suis ceux que tu m’as donnés soient aussi avec moi, afin qu’ils voient ma gloire, la gloire que tu m’as donnée, parce que tu m’as aimé avant la fondation du monde.25 Père juste,Jn 15:21;16:3.le monde ne t’a point connu; mais moi je t’ai connu,Jn 16:27;17:8.et ceux-ci ont connu que tu m’as envoyé.26 Je leur ai fait connaître ton nom, et je le leur ferai connaître, afin que l’amour dont tu m’as aimé soit en eux, et que je sois en eux.
1 Nadat Jezus dit had gezegd, keek Hij omhoog, naar de hemel, en bad Hij: "Vader, nu is het moment gekomen. Maak de grootheid van uw Zoon zichtbaar, dan zal de Zoon uw grootheid zichtbaar maken. 2 U heeft Hem immers de macht over de hele mensheid gegeven, opdat Hij het eeuwig leven zou schenken aan de mensen die U aan Hem heeft toevertrouwd. 3 Het eeuwig leven, dat is dat zij U kennen, de enige, ware God, en ook Degene die U heeft gezonden: Jezus Christus. 4 Ik heb op aarde Uw grootheid zichtbaar gemaakt door het werk uit te voeren dat U Mij heeft gegeven. 5 En nu, Vader, bekleed Mij bij U opnieuw met de grootheid die Ik bij U had voordat de wereld bestond.
6 Ik heb de mensen die U Mij vanuit de wereld heeft gegeven, getoond wie U bent. Zij waren van U en U heeft hen aan Mij toevertrouwd. Ze hebben zich gehouden aan hetgeen U heeft gezegd. 7 Nu beseffen zij dat alles wat U Mij gegeven heeft, van U komt, 8 want Ik heb de woorden die U Mij had gegeven, aan hen doorgegeven. En omdat zij die hebben aanvaard, beseffen ze dat Ik werkelijk van U kom en geloven ze dat U Mij heeft gezonden. 9 Ik bid voor hen. Ik bid niet voor de wereld, maar voor de mensen die U Mij heeft toevertrouwd, want ze zijn van U. 10 Ja, alles wat van Mij is, is van U, en alles wat van U is, is van Mij. In hen is mijn grootheid zichtbaar geworden. 11 Binnenkort zal Ik niet meer in de wereld zijn; Ik kom naar U toe. Maar zij zijn dan nog wel in de wereld. Heilige Vader, bescherm hen met uw macht, de macht die U Mij heeft gegeven, zodat zij een eenheid zullen vormen zoals U en Ik een eenheid vormen. 12 Zolang Ik bij hen was, heb Ik hen beschermd met uw macht, de macht die U Mij heeft verleend. Ik heb over hen gewaakt en geen van hen is verloren gegaan, behalve hij die voor de ondergang bestemd was. Zo is hetgeen in de Schriften staat in vervulling gegaan. 13 Nu kom Ik naar U toe en Ik zeg dit terwijl Ik nog in de wereld ben, opdat zij vol zullen zijn van mijn vreugde. 14 Ik heb uw boodschap aan hen doorgegeven. En nu haat de wereld hen, omdat zij niet meer bij de wereld horen, net zoals Ik niet bij de wereld hoor. 15 Ik vraag U niet hen uit de wereld weg te nemen, maar hen te beschermen tegen de duivel. 16 Ze zijn niet van de wereld, net zoals Ik niet van de wereld ben. 17 Maak van hen, door middel van de waarheid, mensen die aan U zijn toegewijd. Hetgeen U zegt, is de waarheid. 18 Ik heb hen naar de wereld gezonden, net zoals U Mij naar de wereld had gezonden. 19 En omwille van hen geef Ik Mij aan U over, opdat ook zij, door middel van de waarheid, aan U toegewijd zullen zijn.
20 Ik bid niet alleen voor hen, maar ook voor de mensen die door hun getuigenis tot geloof in Mij komen. 21 Ik bid dat zij allen een eenheid mogen vormen, zoals U, Vader, en Ik met elkaar verbonden zijn. Laat hen een eenheid vormen door hun verbondenheid met Ons, opdat de wereld zal geloven dat U Mij heeft gezonden. 22 De grootheid die U Mij heeft gegeven, heb Ik aan hen doorgegeven, opdat zij een eenheid mogen vormen, zoals Wij een eenheid vormen – 23 Ik met hen en U met Mij. Ik bid dat ze een volkomen eenheid mogen vormen. Dan zal de wereld weten dat U Mij heeft gezonden en dat U hen liefheeft, net zoals U Mij liefheeft. 24 Vader, Ik wil graag dat de mensen die U Mij heeft toevertrouwd bij Mij zullen zijn daar waar Ik ben, en dat zij mijn grootheid zullen zien – de grootheid die U Mij heeft gegeven omdat U Mij reeds liefhad vóór de schepping van de wereld. 25 Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet, maar Ik ken U en zij beseffen dat U Mij heeft gezonden. 26 Ik heb hun duidelijk gemaakt Wie U bent, en Ik zal dat blijven doen; dan zal uw liefde voor Mij ook hen vervullen en zal Ik in hen wonen."