Résurrection de Jésus-Christ
1 Mt 28:1.Mc 16:1.Lu 24:1.Le premier jour de la semaine, Marie de Magdala se rendit au sépulcre dès le matin, comme il faisait encore obscur; et elle vit que la pierre était ôtée du sépulcre. 2 Elle courut vers Simon Pierre et vers l’autre disciple Jn 13:23;21:7,20.que Jésus aimait, et leur dit: Ils ont enlevé du sépulcre le Seigneur, et nous ne savons où ils l’ont mis. 3 Lu 24:12.Pierre et l’autre disciple sortirent, et allèrent au sépulcre. 4 Ils couraient tous deux ensemble. Mais l’autre disciple courut plus vite que Pierre, et arriva le premier au sépulcre; 5 s’étant baissé, il vit Jn 19:40.les bandes qui étaient à terre, cependant il n’entra pas. 6 Simon Pierre, qui le suivait, arriva et entra dans le sépulcre; il vit les bandes qui étaient à terre, 7 et Jn 11:44.le linge qu’on avait mis sur la tête de Jésus, non pas avec les bandes, mais plié dans un lieu à part. 8 Alors l’autre disciple, qui était arrivé le premier au sépulcre, entra aussi; et il vit, et il crut. 9 Car ils ne comprenaient pas encore que, Ps 16:10.Ac 2:25,31;13:35.selon l’Écriture, Jésus devait ressusciter des morts. 10 Et les disciples s’en retournèrent chez eux.
11 Mt 28:1.Mc 16:5.Lu 24:4.Cependant Marie se tenait dehors près du sépulcre, et pleurait. Comme elle pleurait, elle se baissa pour regarder dans le sépulcre; 12 et elle vit deux anges vêtus de blanc, assis à la place où avait été couché le corps de Jésus, l’un à la tête, l’autre aux pieds. 13 Ils lui dirent: Femme, pourquoi pleures-tu? Elle leur répondit: Parce qu’ils ont enlevé mon Seigneur, et je ne sais où ils l’ont mis. 14 Mt 28:9.Mc 16:9.En disant cela, elle se retourna, et elle vit Jésus debout; mais elle ne savait pas que c’était Jésus. 15 Jésus lui dit: Femme, pourquoi pleures-tu? Qui cherches-tu? Elle, pensant que c’était le jardinier, lui dit: Seigneur, si c’est toi qui l’as emporté, dis-moi où tu l’as mis, et je le prendrai. 16 Jésus lui dit: Marie! Elle se retourna, et lui dit en hébreu: Rabbouni! C’est-à-dire, Maître! 17 Jésus lui dit: Ne me touche pas; car je ne suis pas encore monté vers mon Père. Mais va trouverPs 22:23.Mt 28:10.Hé 2:11.mes frères, et dis-leurJn 16:28.que je monte vers mon Père et votre Père, vers mon Dieu et votre Dieu.18 Mt 28:8.Mc 16:10.Lu 24:9.Marie de Magdala alla annoncer aux disciples qu’elle avait vu le Seigneur, et qu’il lui avait dit ces choses.
19 Mc 16:14.Lu 24:36.1 Co 15:5.Le soir de ce jour, qui était le premier de la semaine, les portes du lieu où se trouvaient les disciples étant fermées, à cause de la crainte qu’ils avaient des Juifs, Jésus vint, se présenta au milieu d’eux, et leur dit: La paix soit avec vous!20 Et quand il eut dit cela, il leur montra ses mains et son côté. Jn 16:22.Les disciples furent dans la joie en voyant le Seigneur. 21 Jésus leur dit de nouveau: La paix soit avec vous!És 61:1.Mt 28:19.Mc 16:15.Lu 4:18.Jn 17:18.Comme le Père m’a envoyé, moi aussi je vous envoie.22 Après ces paroles, il souffla sur eux, et leur dit: Recevez le Saint-Esprit.
23 Mt 16:19;18:18.Ceux à qui vous pardonnerez les péchés, ils leur seront pardonnés; et ceux à qui vous les retiendrez, ils leur seront retenus.
24 Thomas, appelé Didyme, l’un des douze, n’était pas avec eux lorsque Jésus vint. 25 Les autres disciples lui dirent donc: Nous avons vu le Seigneur. Mais il leur dit: Si je ne vois dans ses mains la marque des clous, et si je ne mets mon doigt dans la marque des clous, et si je ne mets ma main dans son côté, je ne croirai point. 26 Huit jours après, les disciples de Jésus étaient de nouveau dans la maison, et Thomas se trouvait avec eux. Jésus vint, les portes étant fermées, se présenta au milieu d’eux, et dit: La paix soit avec vous!27 Puis il dit à Thomas: Avance ici ton doigt, et regarde mes mains;1 Jn 1:1.avance aussi ta main, et mets-la dans mon côté; et ne sois pas incrédule, mais crois.28 Thomas lui répondit: Mon Seigneur et mon Dieu! Jésus lui dit:
29 Parce que tu m’as vu, tu as cru.1 Pi 1:8.Heureux ceux qui n’ont pas vu, et qui ont cru!
Conclusion
30 Jésus a fait encore, en présence de ses disciples, Jn 21:25.beaucoup d’autres miracles, qui ne sont pas écrits dans ce livre. 31 Mais ces choses ont été écrites afin que vous croyiez que Jésus est le Christ, le Fils de Dieu, et qu’en croyant vous ayez la vie en son nom.
1 Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, ging Maria van Magdala naar het graf. Ze zag dat de steen voor de ingang van het graf was verwijderd. 2 Ze rende naar Simon Petrus en naar een andere leerling van Jezus, de leerling van wie Hij veel hield, en zei tegen hen: "De Heer is uit het graf weggenomen en we weten niet waar Hij is neergelegd." 3 Toen gingen Petrus en die andere leerling naar het graf. 4 Ze renden samen, maar de andere leerling was sneller dan Petrus en kwam als eerste bij het graf aan. 5 Hij boog zich voorover, keek naar binnen en zag de windsels liggen, maar ging niet naar binnen. 6 Toen kwam ook Simon Petrus, die achter hem had gelopen. Hij ging het graf binnen en zag de doeken liggen. 7 De doek die om Jezus' hoofd gewikkeld was geweest, bevond zich niet bij de andere doeken maar lag opgerold apart. 8 Nu ging de andere leerling, die als eerste bij het graf was aangekomen, ook naar binnen. Hij keek en hij geloofde. 9 Maar ze begrepen nog niet dat in de Schriften staat dat Jezus uit de dood moest verrijzen.
10 Zijn leerlingen gingen terug naar huis, 11 terwijl Maria bij het graf stond te wenen. Al wenend boog ze voorover om in het graf te kijken. 12 Daar zag ze twee in het wit geklede engelen zitten op de plaats waar Jezus' lichaam had gelegen, de ene aan het hoofdeinde en de andere aan het voeteneinde. 13 Ze vroegen haar: "Waarom huil je?" Ze antwoordde: "Mijn Heer is weggenomen en ik weet niet waar Hij is neergelegd." 14 Nadat ze dat had gezegd, keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze besefte niet dat Hij het was. 15 Jezus vroeg haar: "Waarom huil je? Wie zoek je?" Ze dacht dat Hij de tuinman was en antwoordde: "Meneer, als u hem hebt verplaatst, vertel me dan waar u Hem hebt neergelegd. Dan zal ik Hem laten ophalen." 16 Jezus zei tegen haar: "Maria". Toen keerde ze zich naar Hem toe en zei in het Aramees: "Rabboeni". Dat betekent: Leraar. 17 Jezus zei tegen haar: "Laat Me los, want Ik ben nog niet naar mijn Vader opgestegen. Maar ga naar mijn broeders toe en zeg tegen hen: ‘Ik ga terug naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God die ook jullie God is.’" 18 Maria van Magdala ging naar Jezus' leerlingen en verkondigde: "Ik heb de Heer gezien." Ook vertelde ze wat Hij tegen haar had gezegd.
19 Op de avond van diezelfde dag, de eerste dag van de week, toen Jezus' leerlingen bijeenkwamen en de deur op slot hadden gedaan uit angst voor de Joodse leiders, kwam Hij in hun midden staan. Hij zei tegen hen: "Ik wens jullie vrede toe." 20 Nadat Hij dat had gezegd, toonde Hij hun zijn handen en zijn zij. De leerlingen waren verheugd om de Heer te zien. 21 Jezus vervolgde: "Ik wens jullie vrede toe. Zoals de Vader Mij heeft gezonden, zend Ik jullie." 22 Nadat Hij dat had gezegd, blies Hij over hen en zei Hij: "Ontvang de Heilige Geest. 23 Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven. Maar als jullie iemands zonden niet vergeven, dan blijven die zonden hem toegerekend."
24 Een van de Twaalf, Tomas bijgenaamd Didymus, was er niet toen Jezus bij hen was gekomen. 25 Toen de andere leerlingen hem vertelden: "Wij hebben de Heer gezien", antwoordde hij: "Zolang ik de wonden van de spijkers in zijn handen niet heb gezien, de plaats waar de spijkers hebben gezeten niet met mijn vinger heb aangeraakt en met mijn hand niet zijn zij heb gevoeld, geloof ik het niet." 26 Een week later waren Jezus' leerlingen opnieuw bijeen en was ook Tomas erbij. Hoewel de deuren op slot waren, kwam Hij in hun midden staan. Hij zei: "Ik wens jullie vrede toe." 27 Toen zei Hij tegen Tomas: "Geef je vinger hier en bekijk mijn handen; geef Me je hand en leg die in mijn zij. Wees niet langer ongelovig, maar geloof." 28 Tomas antwoordde: "Mijn Heer, mijn God!" 29 Jezus vervolgde: "Je gelooft omdat je Mij hebt gezien? Gezegend zijn zij die geloven zonder te hebben gezien."
30 Jezus heeft in het bijzijn van zijn leerlingen nog veel meer wonderlijke tekenen verricht, maar die staan niet in dit boek vermeld. 31 Wat wel in dit boek staat, is op schrift gesteld met de bedoeling dat jullie geloven dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en dat jullie, door te geloven, leven zullen bezitten omdat jullie bij Hem horen.