Entretien de Jésus avec Nicodème
1 Mais il y eut un homme d’entre les pharisiens, nommé Jn 19:39.Nicodème, un chef des Juifs, 2 Jn 7:50;19:39.qui vint, lui, auprès de Jésus, de nuit, et lui dit: Rabbi, nous savons que tu es un docteur venu de Dieu; Jn 16:33.car personne ne peut faire ces miracles que tu fais, Ac 10:38.si Dieu n’est avec lui. 3 Jésus lui répondit: En vérité, en vérité, je te le dis, si un homme ne naît de nouveau, il ne peut voir le royaume de Dieu.4 Nicodème lui dit: Comment un homme peut-il naître quand il est vieux? Peut-il rentrer dans le sein de sa mère et naître? 5 Jésus répondit: En vérité, en vérité, je te le dis,Tit 3:5.si un homme ne naît d’eau et d’Esprit, il ne peut entrer dans le royaume de Dieu.
6 Ro 8:5.Ce qui est né de la chair est chair, et ce qui est né de l’Esprit est esprit.7 Ne t’étonne pas que je t’aie dit: Il faut que vous naissiez de nouveau.8 Le vent souffle où il veut, et tu en entends le bruit; mais tu ne sais d’où il vient, ni où il va. Il en est ainsi de tout homme qui est né de l’Esprit.9 Nicodème lui dit: Jn 6:52.Comment cela peut-il se faire? 10 Jésus lui répondit: Tu es le docteur d’Israël, et tu ne sais pas ces choses!
11 Jn 7:16;8:28;12:49;14:24.En vérité, en vérité, je te le dis, nous disons ce que nous savons, et nous rendons témoignage de ce que nous avons vu; et vous ne recevez pasJn 3:32.notre témoignage.12 Si vous ne croyez pas quand je vous ai parlé des choses terrestres, comment croirez-vous quand je vous parlerai des choses célestes?13 Jn 6:62.Ép 4:9.Personne n’est monté au ciel, si ce n’est celui qui est descendu du ciel, le Fils de l’homme qui est dans le ciel.
14 No 21:9.2 Ch 18:4.Et comme Moïse éleva le serpent dans le désert,Jn 8:28;12:32.il faut de même que le Fils de l’homme soit élevé,15 afin que quiconque croit en luiJn 3:36.ait la vie éternelle.16 Ro 5:8;8:31.1 Jn 4:9.Car Dieu a tant aimé le monde qu’il a donné son Fils unique,Lu 19:10.Jn 3:36.1 Jn 5:10.afin que quiconque croit en lui ne périsse point, mais qu’il ait la vie éternelle.17 Lu 9:56.Jn 9:39;12:47.1 Jn 4:14.Dieu, en effet, n’a pas envoyé son Fils dans le monde pour qu’il juge le monde, mais pour que le monde soit sauvé par lui.18 Jn 5:24;6:40,47;20:31.Celui qui croit en lui n’est point jugé; mais celui qui ne croit pas est déjà jugé, parce qu’il n’a pas cru au nom du Fils unique de Dieu.19 Et1 Jn 1:5.ce jugement c’est que, la lumière étant venue dans le monde, les hommes ont préféré les ténèbres à la lumière, parce que leurs œuvres étaient mauvaises.20 Car quiconque fait le mal hait la lumière, et ne vient point à la lumière, de peur que ses œuvres ne soient dévoilées;21 Ép 5:8.mais celui qui agit selon la vérité vient à la lumière, afin que ses œuvres soient manifestées, parce qu’elles sont faites en Dieu.
Nouveau témoignage de Jean-Baptiste
22 Après cela, Jésus, accompagné de ses disciples, se rendit dans la terre de Judée; et là il demeurait avec eux, Jn 4:1.et il baptisait. 23 Mt 3:6.Mc 1:5.Lu 3:7.Jean aussi baptisait à Énon, près de Salim, parce qu’il y avait là beaucoup d’eau; et on y venait pour être baptisé. 24 Mt 14:3.Car Jean n’avait pas encore été mis en prison. 25 Or, il s’éleva de la part des disciples de Jean une dispute avec un Juif touchant la purification. 26 Mt 3:11.Mc 1:7.Lu 3:16.Jn 1:15,26,34.Ils vinrent trouver Jean, et lui dirent: Rabbi, celui qui était avec toi au-delà du Jourdain, et à qui tu as rendu témoignage, voici, il baptise, et tous vont à lui. 27 Jean répondit: Un homme ne peut recevoir que ce qui lui a été donné du ciel. 28 Vous-mêmes m’êtes témoins que j’ai dit: Jn 1:20.Je ne suis pas le Christ, Mal 3:1.Mt 11:10.Mc 1:2.Lu 1:17;7:27.Jn 1:21,23.mais j’ai été envoyé devant lui. 29 Celui à qui appartient l’épouse, c’est l’époux; mais l’ami de l’époux, qui se tient là et qui l’entend, éprouve une grande joie à cause de la voix de l’époux: aussi cette joie, qui est la mienne, est parfaite. 30 Il faut qu’il croisse, et que je diminue. 31 Jn 8:23.Celui qui vient d’en haut est au-dessus de tous; celui qui est de la terre est de la terre, et il parle comme étant de la terre. Celui qui vient du ciel est au-dessus de tous, 32 Jn 5:30;8:26;12:49;14:10.il rend témoignage de ce qu’il a vu et entendu, et personne ne reçoit son témoignage. 33 Celui qui a reçu son témoignage a certifié Ro 3:4.que Dieu est vrai; 34 car celui que Dieu a envoyé dit les paroles de Dieu, parce que Dieu Ép 4:7.ne lui donne pas l’Esprit avec mesure. 35 Le Père aime le Fils, Mt 11:27;28:18.Lu 10:22.Jn 5:22;17:2.Hé 2:8.et il a remis toutes choses entre ses mains. 36 Jn 3:16;6:47.1 Jn 5:10.Celui qui croit au Fils a la vie éternelle; celui qui ne croit pas au Fils ne verra point la vie, mais la colère de Dieu demeure sur lui.
1 Een van de Joodse leiders was een man die Nikodemus heette, een farizeeër. 2 Op een nacht ging hij naar Jezus toe en zei: "Rabbi, wij weten dat U een leraar bent die van God komt, want niemand kan de wonderlijke tekenen verrichten die U verricht, tenzij met Gods hulp." 3 Jezus antwoordde: "Ik zeg je nadrukkelijk, niemand kan Gods koninkrijk zien, tenzij hij opnieuw wordt geboren." 4 Nikodemus vroeg Hem: "Hoe kan een mens geboren worden als hij reeds volwassen is? Hij kan toch niet in de schoot van zijn moeder terugkeren en een tweede keer geboren worden?" 5 Jezus antwoordde: "Ik zeg je nadrukkelijk, niemand kan Gods koninkrijk binnengaan, tenzij hij wordt geboren uit water en door de Geest. 6 Het menselijk lichaam wordt geboren uit de mens, maar het geestelijke wordt geboren door het werk van Gods Geest. 7 Wees niet verbaasd dat Ik tegen je heb gezegd dat je opnieuw geboren moet worden. 8 De wind waait waar hij naartoe wil en je kan zijn geluid horen, maar je weet niet waar hij vandaan komt en waar hij naartoe gaat. Zo is het ook met iedereen die door het werk van de Geest is geboren." 9 Nikodemus vroeg Hem: "Hoe kan dat?" 10 Jezus antwoordde: "Jij bent het die Israël onderwijst en jij begrijpt dit niet? 11 Ik zeg je nadrukkelijk, wij spreken over wat wij weten, en wij getuigen van wat wij hebben gezien. En toch aanvaarden jullie onze getuigenis niet. 12 Als jullie Mij niet geloven wanneer ik over aardse zaken spreek, hoe zullen jullie Mij dan geloven wanneer ik over hemelse zaken spreek? 13 Er is nog nooit iemand naar de hemel gegaan; alleen Hij die uit de hemel is gekomen, de Mensenzoon, is er geweest. 14 En zoals Mozes in de wildernis de slang omhooghief, zo moet de Mensenzoon worden omhooggeheven, 15 opdat ieder die in Hem gelooft het eeuwig leven zal hebben. 16 Zo had God de wereld lief: door zijn enige Zoon te geven, opdat ieder die in Hem gelooft het eeuwig leven zou hebben en niet verloren zou gaan. 17 God heeft de Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te veroordelen, maar om de wereld te redden. 18 Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar wie niet gelooft, is reeds veroordeeld omdat hij niet zijn vertrouwen op Gods enige Zoon heeft gesteld. 19 Het zit zo met het Oordeel: het licht is naar de wereld gekomen, maar de mensen hielden meer van het duister dan van het licht, want hun daden waren slecht. 20 Ieder die kwaad doet, haat het licht; hij weigert naar het licht toe te komen, omdat zijn daden dan worden onthuld. 21 Maar wie oprecht leeft, komt naar het licht toe, zodat zal blijken dat hij zijn daden heeft verricht uit gehoorzaamheid aan God."
22 Later ging Jezus met zijn leerlingen naar het gebied Judea. Hij verbleef daar enige tijd en doopte. 23 Ook Johannes doopte, in Enon, dicht bij Salim. Daar was veel water en de mensen kwamen ernaartoe om te worden gedoopt. 24 Johannes was toen nog niet gevangengezet.
25 Enkele leerlingen van Johannes kregen onenigheid met een Joodse leider over het Joodse reinigingsritueel. 26 Ze gingen naar Johannes toe en vroegen hem: "Rabbi, de Man die bij u was aan de overkant van de Jordaan, die u heeft aangeduid, Hij is aan het dopen en de mensen gaan allemaal naar Hem toe." 27 Johannes antwoordde: "Een mens kan enkel ontvangen wat hem vanuit de hemel wordt geschonken. 28 Jullie zijn er zelf getuige van dat ik heb gezegd: ‘Ik ben de Messias niet, maar ik ben voor Hem uitgestuurd.’ 29 Wie de bruid krijgt, is de bruidegom, maar de beste vriend van de bruidegom staat naar de bruidegom te luisteren en verheugt zich wanneer hij de stem van de bruidegom hoort. Dat geldt ook voor mij: ik ben vervuld met vreugde. 30 Hij moet meer aanzien krijgen, en ik minder." 31 Hij die van boven komt, staat boven allen; wie uit de aarde voortkomt, is aards en spreekt op aardse wijze. Hij die uit de hemel komt en boven alles staat, 32 getuigt van hetgeen Hij heeft gezien en gehoord, en niemand aanvaardt zijn getuigenis. 33 Maar wie zijn getuigenis wel aanvaardt, bevestigt zo dat God betrouwbaar is. 34 Hij die door God gezonden is, spreekt de woorden van God, want God schenkt de Geest zonder enige beperking. 35 De Vader heeft de Zoon lief en heeft Hem alle macht gegeven. 36 Wie in de Zoon gelooft, heeft het eeuwig leven. Wie daarentegen weigert de Zoon te gehoorzamen, zal het leven niet ervaren, maar Gods straf ondervinden.