Adresse et salutation
1 Paul, serviteur de Jésus-Christ, appelé à être apôtre, Ac 9:15;13:2.Ga 1:15.mis à part pour annoncer l’Évangile de Dieu, 2 qui avait été Ge 3:15;22:18;26:4;49:10.De 18:15.2 S 7:12.Ps 132:11.És 4:2;7:14;9:5;40:10.Jé 23:5;33:14.Éz 34:23;37:24.Da 9:24.Mi 7:20.promis auparavant de la part de Dieu par ses prophètes dans les saintes Écritures, 3 et qui concerne son Fils (né de la Mt 1:1.Lu 1:32.Ac 2:30;13:23.2 Ti 2:8.postérité de David, selon la chair, 4 et déclaré És 9:5;44:6;54:5.Jn 2:19.Ro 9:5.1 Jn 5:20.Fils de Dieu avec puissance, selon l’Esprit de sainteté, par sa résurrection d’entre les morts), Jésus-Christ notre Seigneur, 5 par qui nous avons reçu la grâce et l’apostolat, pour amener en son nom à l’obéissance de la foi tous les païens, 6 parmi lesquels vous êtes aussi, vous qui avez été appelés par Jésus-Christ, 7 à tous ceux qui, à Rome, sont bien-aimés de Dieu, 1 Co 1:2.Ép 1:1.appelés à être saints: que la grâce et la paix vous soient données de la part de Dieu notre Père et du Seigneur Jésus-Christ!
Amour de Paul pour les chrétiens de Rome. Son désir d’aller les voir
8 Je rends d’abord grâces à mon Dieu par Jésus-Christ, au sujet de vous tous, de ce que votre foi est renommée dans le monde entier. 9 Ro 9:1.2 Co 1:23;11:31.Ga 1:20.Ph 1:8.1 Th 2:5.Dieu, 2 Ti 1:3.que je sers en mon esprit dans l’Évangile de son Fils, m’est témoin que je fais sans cesse mention de vous, 10 Ro 15:23,32.demandant continuellement dans mes prières d’avoir enfin, par sa volonté, le bonheur d’aller vers vous. 11 1 Th 3:10.Car je désire vous voir, Ro 15:29.pour vous communiquer quelque don spirituel, afin que vous soyez affermis, 12 ou plutôt, afin que nous soyons encouragés ensemble au milieu de vous par la foi qui nous est commune, à vous et à moi. 13 Je ne veux pas vous laisser ignorer, frères, 1 Th 2:18.que j’ai souvent formé le projet d’aller vous voir, afin de recueillir quelque fruit parmi vous, comme parmi les autres nations; mais j’en ai été empêché jusqu’ici. 14 1 Co 9:16.Je me dois aux Grecs et aux barbares, aux savants et aux ignorants. 15 Ainsi j’ai un vif désir de vous annoncer aussi l’Évangile, à vous qui êtes à Rome.
La justice par la foi, sujet de l’épître
16 Ps 40:10.2 Ti 1:8.Car je n’ai point honte de l’Évangile: 1 Co 1:18;15:2.c’est une puissance de Dieu pour le salut de quiconque croit, du Juif premièrement, puis du Grec, 17 Ro 3:21.Ph 3:9.parce qu’en lui est révélée la justice de Dieu par la foi et pour la foi, selon qu’il est écrit: Ha 2:4.Jn 3:36.Ga 3:11.Hé 10:38.Le juste vivra par la foi.
État de péché et de condamnation de l’humanité
18 La colère de Dieu se révèle du ciel contre toute impiété et toute injustice des hommes qui retiennent injustement la vérité captive, 19 Ac 14:17.car ce qu’on peut connaître de Dieu est manifeste pour eux, Dieu le leur ayant fait connaître. 20 Ps 19:2.En effet, les perfections invisibles de Dieu, sa puissance éternelle et sa divinité, se voient comme à l’œil, depuis la création du monde, quand on les considère dans ses ouvrages. Ils sont donc inexcusables, 21 puisque ayant connu Dieu, ils ne l’ont point glorifié comme Dieu, et ne lui ont point rendu grâces; mais De 28:28.ils se sont égarés dans leurs pensées, et leur cœur sans intelligence a été plongé dans les ténèbres. 22 Se vantant d’être sages, ils sont devenus fous; 23 2 R 17:29.et ils ont changé la gloire du Dieu incorruptible en images représentant l’homme corruptible, des oiseaux, des quadrupèdes, et des reptiles. 24 C’est pourquoi Dieu les a livrés à l’impureté, selon les convoitises de leurs cœurs; en sorte qu’ils déshonorent eux-mêmes leurs propres corps; 25 eux qui ont changé la vérité de Dieu en mensonge, et qui ont adoré et servi la créature au lieu du Créateur, qui est béni éternellement. Amen! 26 C’est pourquoi Dieu les a livrés Lé 18:22,23.à des passions infâmes: car leurs femmes ont changé l’usage naturel en celui qui est contre nature; 27 et de même les hommes, abandonnant l’usage naturel de la femme, se sont enflammés dans leurs désirs les uns pour les autres, commettant homme avec homme des choses infâmes, et recevant en eux-mêmes le salaire que méritait leur égarement. 28 Comme ils ne se sont pas souciés de connaître Dieu, Dieu les a livrés à leur sens réprouvé, pour commettre des choses indignes, 29 étant remplis de toute espèce d’injustice, de méchanceté, de cupidité, de malice; pleins d’envie, de meurtre, de querelle, de ruse, de malignité; 30 rapporteurs, médisants, impies, arrogants, hautains, fanfarons, ingénieux au mal, rebelles à leurs parents, dépourvus d’intelligence, 31 de loyauté, d’affection naturelle, de miséricorde. 32 Et, bien qu’ils connaissent le jugement de Dieu, déclarant dignes de mort ceux qui commettent de telles choses, non seulement ils les font, Os 7:3.mais ils approuvent ceux qui les font.
1 Van: Paulus, dienaar van Christus Jezus, geroepen om als apostel ten dienste te staan van Gods evangelie. 2 God had het evangelie lang geleden via zijn profeten in de heilige Schriften beloofd. 3 Het is het goede nieuws over zijn Zoon, die wat zijn aardse leven betreft een afstammeling van David is, 4 en die door zijn verrijzenis uit de dood op krachtige wijze door de Heilige Geest is uitgeroepen tot de Zoon van God – Jezus de Messias, onze Heer. 5 Het is door Hem dat wij het voorrecht ontvangen hebben om apostel te zijn, opdat bij alle volken mensen tot geloof en gehoorzaamheid aan God zouden komen en Hij geëerd zou worden. 6 En jullie behoren tot die mensen: jullie zijn geroepen om bij Jezus Christus te horen.
7 Aan: alle door God geliefde en geroepen christenen in Rome.
Wij wensen jullie de genade en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus toe.
8 Allereerst dank ik mijn God, via Jezus Christus, voor jullie allen, want het nieuws over jullie geloof wordt in de hele wereld verspreid. 9 God, die ik van harte dien door het evangelie van zijn Zoon te verkondigen, kan bevestigen dat ik jullie voortdurend noem 10 in mijn gebeden. Dan vraag ik altijd aan God dat ik jullie eindelijk zal kunnen bezoeken – als Hij het ook wil. 11 Ik verlang ernaar jullie te zien en een geestelijke zegen met jullie te delen om jullie te sterken. 12 Of beter gezegd: dan kunnen we wederzijds bemoedigd worden – ik door jullie geloof en jullie door dat van mij.
13 Broeders en zusters, jullie moeten weten dat ik dikwijls van plan ben geweest om jullie te bezoeken, maar tot nu toe werd ik steeds verhinderd. Ik wil namelijk ook bij jullie oogsten, zoals ik dat ook heb gedaan bij de andere niet-Joden. 14 Ik sta in het krijt bij zowel Grieken als niet-Grieken, bij zowel geletterde als ongeletterde mensen. 15 Daarom wil ik zo graag ook aan jullie in Rome het evangelie verkondigen.
16 Het evangelie brengt mij niet in verlegenheid, want het is Gods krachtige nieuws, dat redding brengt voor allen die geloven – in de eerste plaats Joden, maar ook niet-Joden. 17 Het evangelie maakt duidelijk hoe men enkel en alleen door te geloven met God in het reine kan komen. In de Schriften staat immers: "De rechtvaardige zal het leven ontvangen door middel van het geloof."
18 Vanuit de hemel wordt namelijk duidelijk gemaakt dat God alle goddeloosheid en kwaad van mensen die met hun kwaad de waarheid verdringen, zal straffen. 19 Wat over God geweten kan worden, is hun duidelijk, want God heeft het hun bekendgemaakt. 20 Zijn eeuwige macht en goddelijkheid zijn weliswaar onzichtbare eigenschappen, maar ze zijn sinds de schepping van de wereld duidelijk te zien in hetgeen Hij gemaakt heeft. De mensen hebben dus geen excuus. 21 Hoewel ze weten dat er een God is, geven ze Hem niet de eer en dank die Hem toekomt. Integendeel, hun redeneringen zijn onzinnig geworden en hun onverstandige hart is verduisterd. 22 Ze beweren dat ze verstandig zijn, maar ze zijn dwaas geworden. 23 In plaats van de grootheid van de onvergankelijke God te erkennen, zijn ze beelden van vergankelijke mensen en van vliegende, lopende en kruipende dieren gaan vereren. 24 Daarom heeft God hen met hun begerige verlangens prijsgegeven aan immoraliteit, zodat ze met elkaar hun lichaam onteren. 25 Ze hebben Gods waarheid verruild voor de leugen: ze vereren en dienen het geschapene in plaats van de Schepper, aan Wie voor eeuwig alle eer toekomt. Amen. 26 Daarom heeft God hen prijsgegeven aan schandelijke hartstochten. Zelfs hun vrouwen hebben natuurlijke seks verruild voor hetgeen tegen de natuur ingaat. 27 En wat de mannen betreft: in plaats van natuurlijke seks met vrouwen zijn ze ontbrand in lust naar elkaar. Mannen hebben seks met andere mannen en ontvangen zo in hun eigen lichaam het verdiende loon voor hun dwaling. 28 En omdat ze het niet de moeite waard vinden om God te erkennen, heeft Hij hen prijsgegeven aan verwerpelijk denken en onwaardig gedrag. 29 Hun leven is gevuld met allerlei onrecht, slechtheid, hebzucht en verdorvenheid. Ze zitten vol afgunst, moordzucht, rivaliteit, bedrog en kwaadaardigheid. Het zijn roddelaars 30 en kwaadsprekers. Ze haten God en zijn hoogmoedig, arrogant en zelfingenomen. Ze bedenken kwaadaardige plannen en zijn hun ouders ongehoorzaam. 31 Ze zijn onverstandig, onbetrouwbaar, hardvochtig en meedogenloos. 32 Ze weten dat wie zich met dergelijke dingen bezighoudt, volgens Gods voorschriften de dood verdient en toch doen ze die niet alleen zelf, maar juichen ze het ook toe dat anderen ze doen.