1 Frères, le vœu de mon cœur et ma prière à Dieu pour eux, c’est qu’ils soient sauvés. 2 Je leur rends le témoignage qu’ils ont Ac 22:3.Ro 9:31.Ga 4:17.du zèle pour Dieu, mais sans intelligence: 3 ne connaissant pas la justice de Dieu, et cherchant à établir leur propre justice, ils ne se sont pas soumis à la justice de Dieu; 4 Mt 5:17.Ac 13:38.2 Co 3:13.Ga 3:24.car Christ est la fin de la loi, pour la justification de tous ceux qui croient. 5 En effet, Moïse définit ainsi la justice qui vient de la loi: Lé 18:5.Éz 20:11.Ga 3:12.L’homme qui mettra ces choses en pratique vivra par elles. 6 Mais voici comment parle la justice qui vient de la foi: De 30:12.Ne dis pas en ton cœur: Qui montera au ciel? C’est en faire descendre Christ; 7 ou: Qui descendra dans l’abîme? C’est faire remonter Christ d’entre les morts. 8 Que dit-elle donc? La parole est près de toi, dans ta bouche et dans ton cœur. Or, c’est la parole de la foi, que nous prêchons. 9 Si tu confesses de ta bouche le Seigneur Jésus, et si tu crois dans ton cœur que Dieu l’a ressuscité des morts, tu seras sauvé. 10 Car c’est en croyant du cœur qu’on parvient à la justice, et c’est en confessant de la bouche qu’on parvient au salut, selon ce que dit l’Écriture: 11 És 28:16.Ro 9:33.Quiconque croit en lui ne sera point confus. 12 Ac 15:9.Ro 3:22.Il n’y a aucune différence, en effet, entre le Juif et le Grec, puisqu’ils ont tous un même Seigneur, qui est riche pour tous ceux qui l’invoquent. 13 Joë 2:32.Ac 2:21.Car quiconque invoquera le nom du Seigneur sera sauvé.
14 Comment donc invoqueront-ils celui en qui ils n’ont pas cru? Et comment croiront-ils en celui dont ils n’ont pas entendu parler? Et comment en entendront-ils parler, s’il n’y a personne qui prêche? 15 Et comment y aura-t-il des prédicateurs, s’ils ne sont pas envoyés? Selon qu’il est écrit:
És 52:7. Na 1:15.Qu’ils sont beaux
Les pieds de ceux qui annoncent la paix,
De ceux qui annoncent de bonnes nouvelles! 16 Mais tous n’ont pas obéi à la bonne nouvelle. Aussi Ésaïe dit-il:
Seigneur,
És 53:1.Jn 12:38.Qui a cru à notre prédication?
17 Ainsi la foi vient de ce qu’on entend, et ce qu’on entend vient de la parole de Christ. 18 Mais je dis: N’ont-ils pas entendu? Au contraire!
Ps 19:5.Leur voix est allée par toute la terre,
Et leurs paroles jusqu’aux extrémités du monde.
19 Mais je dis: Israël ne l’a-t-il pas su? Moïse le premier dit: De 32:21.J’exciterai votre jalousie par ce qui n’est point une nation, je provoquerai votre colère par une nation sans intelligence. 20 Et Ésaïe pousse la hardiesse jusqu’à dire:
És 65:1.J’ai été trouvé par ceux qui ne me cherchaient pas,
Je me suis manifesté à ceux qui ne me demandaient pas.
21 Mais au sujet d’Israël, il dit:
És 65:2.J’ai tendu mes mains tout le jour vers un peuple rebelle
Et contredisant.
1 Broeders en zusters, mijn hartenwens en mijn gebed tot God voor de Joden is dat zij Gods redding mogen ervaren. 2 Ik kan over hen getuigen dat ze aan God toegewijd zijn, maar ze beschikken niet over inzicht. 3 Omdat ze niet weten hoe men met God in het reine komt en hun vrijspraak van schuld zelf proberen te bewerkstelligen, weigeren ze Gods recht te aanvaarden. 4 De Wet leidt uiteindelijk tot Christus; iedereen die in Hem gelooft, wordt vrijgesproken van schuld.
5 Mozes schrijft over de vrijspraak op grond van de Wet: "De mens die zo handelt, zal daardoor leven." 6 De vrijspraak op grond van geloof zegt: "Vraag je niet af wie naar de hemel zal opstijgen" – om Christus naar de aarde te halen – 7 "of wie in de afgrond zal afdalen" – om Christus uit het dodenrijk op te halen. 8 Want wat staat er? "De boodschap is dicht bij je: in je mond en in je hart." Dat gaat over de boodschap van het geloof, die wij verkondigen. 9 Want als je met je mond belijdt dat Jezus je Heer is en met je hart gelooft dat God Hem uit de dood heeft doen verrijzen, zal je gered worden. 10 Wie in zijn hart gelooft, wordt vrijgesproken van schuld en wie dat openlijk belijdt, ontvangt redding. 11 De Schriften leren: "Wie op Hem vertrouwt, zal niet beschaamd worden." 12 Er is dus geen onderscheid tussen Jood en niet-Jood: de Heer is Heer van iedereen, en iedereen die Hem aanroept, zal rijkelijk worden gezegend. 13 Want: "Ieder die de Heer aanroept, zal gered worden." 14 Maar hoe kunnen mensen Hem aanroepen als ze niet geloven? En hoe kunnen ze in Hem geloven als ze niet van Hem hebben gehoord? En hoe kunnen ze horen zonder boodschapper? 15 En hoe zal men de boodschap verspreiden zonder gezonden te zijn? In de Schriften staat: "Hoe mooi is de komst van de boodschappers van goed nieuws!" 16 Toch heeft niet iedereen naar het goede nieuws geluisterd. Jesaja zegt namelijk: "Heer, wie geloofde wat wij vertelden?" 17 Geloof is dus een gevolg van horen, en horen is een gevolg van de verspreiding van het evangelie van Christus. 18 Ik vraag echter: hebben ze het werkelijk niet gehoord? Toch wel, want: "Hun stemgeluid klonk over de gehele aarde, en hun woorden tot de uiteinden van de wereld." 19 Ik vraag verder: heeft Israël het dan niet begrepen? In de eerste plaats zegt God bij monde van Mozes: "Ik zal jullie jaloers maken op een volk dat niet van Mij is; Ik zal jullie uitdagen met een volk zonder inzicht." 20 Jesaja durft zelfs te zeggen: "Ik ben gevonden door wie Mij niet zochten; Ik heb mij vertoond aan wie niet naar Mij vroegen." 21 Maar over Israël zegt hij: "De hele dag reikte Ik mijn hand uit naar een ongehoorzaam en opstandig volk."