1 Quel est donc l’avantage des Juifs, ou quelle est l’utilité de la circoncision? 2 Il est grand de toute manière, et Ps 147:19.Ro 9:4.tout d’abord en ce que les oracles de Dieu leur ont été confiés. 3 Eh quoi! Si quelques-uns n’ont pas cru, No 23:19.Ro 9:6.2 Ti 2:13.leur incrédulité anéantira-t-elle la fidélité de Dieu? 4 Loin de là! Jn 3:33.Que Dieu, au contraire, soit reconnu pour vrai, Ps 116:11.et tout homme pour menteur, selon qu’il est écrit:
Ps 51:6.Afin que tu sois trouvé juste dans tes paroles,
Et que tu triomphes lorsqu’on te juge. 5 Mais si notre injustice établit la justice de Dieu, que dirons-nous? Dieu est-il injuste quand il déchaîne sa colère? (Je parle à la manière des hommes.) 6 Loin de là! Autrement, comment Dieu jugerait-il le monde? 7 Et si, par mon mensonge, la vérité de Dieu éclate davantage pour sa gloire, pourquoi suis-je moi-même encore jugé comme pécheur? 8 Et pourquoi ne ferions-nous pas le mal afin qu’il en arrive du bien, comme quelques-uns, qui nous calomnient, prétendent que nous le disons? La condamnation de ces gens est juste.
9 Quoi donc! Sommes-nous plus excellents? Nullement. Car nous avons déjà prouvé que tous, Juifs et Grecs, Ga 3:22.sont sous l’empire du péché, 10 selon qu’il est écrit:
Ps 14:3;53:4.Il n’y a point de juste,
Pas même un seul;
11 Nul n’est intelligent,
Nul ne cherche Dieu;
Tous sont égarés, tous sont pervertis;
12 Il n’en est aucun qui fasse le bien,
Pas même un seul;
13 Ps 5:10.Leur gosier est un sépulcre ouvert;
Ils se servent de leurs langues pour tromper;
Ps 140:4.Ils ont sous leurs lèvres un venin d’aspic;
14 Ps 10:7.Leur bouche est pleine de malédiction et d’amertume;
15 Pr 1:16.És 59:7.Ils ont les pieds légers pour répandre le sang;
16 La destruction et le malheur sont sur leur route;
17 Ils ne connaissent pas le chemin de la paix;
18 Ps 36:2.La crainte de Dieu n’est pas devant leurs yeux.
19 Or, nous savons que tout ce que dit la loi, elle le dit à ceux qui sont sous la loi, afin que toute bouche soit fermée, et que tout le monde soit reconnu coupable devant Dieu. 20 Ga 2:16.Car nul ne sera justifié devant lui par les œuvres de la loi, Ro 7:7.Hé 7:18.puisque c’est par la loi que vient la connaissance du péché.
La justification par la foi en Jésus-Christ
21 Mais maintenant, sans la loi est manifestée Ro 1:17.Ph 3:9.la justice de Dieu, à laquelle rendent témoignage la loi et les prophètes, 22 justice de Dieu par la foi en Jésus-Christ pour tous ceux qui croient. Il n’y a point de distinction. 23 Car tous ont péché et sont privés de la gloire de Dieu; 24 És 53:5.et ils sont gratuitement justifiés par sa grâce, par le moyen de la rédemption qui est en Jésus-Christ. 25 2 Co 5:19.Col 1:20.Hé 4:16.1 Jn 4:10.C’est lui que Dieu a destiné, par son sang, à être, pour ceux qui croiraient, Ex 25:17.victime propitiatoire, afin de montrer sa justice, parce qu’il avait laissé impunis les péchés commis auparavant, au temps de sa patience, afin, dis-je, 26 de montrer sa justice dans le temps présent, de manière à être juste tout en justifiant celui qui a la foi en Jésus. 27 Où donc est le sujet de se glorifier? Il est exclu. Par quelle loi? Par la loi des œuvres? Non, mais par la loi de la foi. 28 Ac 13:38.Ro 8:3.Ga 2:16.Hé 7:25.Car nous pensons que l’homme est justifié par la foi, sans les œuvres de la loi. 29 Ou bien Dieu est-il seulement le Dieu des Juifs? Ne l’est-il pas aussi des païens? Oui, il l’est aussi des païens, 30 puisqu’il y a un seul Dieu, qui justifiera par la foi les circoncis, et par la foi les incirconcis.
La justification par la foi d’accord avec l’Écriture: exemple d’Abraham
31 Anéantissons-nous donc la loi par la foi? Loin de là! Au contraire, nous confirmons la loi.
1 Wat is dan het voordeel van het Joods-zijn en wat de waarde van de besnijdenis? 2 Er zijn veel voordelen en de waarde is groot. In de eerste plaats zijn Gods openbaringen aan de Joden toevertrouwd. 3 Maar wat als sommigen Hem ontrouw zijn? Maakt hun ontrouw Gods trouw ongedaan? 4 Absoluut niet! Al zijn alle mensen leugenaars, God houdt zich aan zijn woord. In de Schriften staat immers: "Wanneer U spreekt, blijkt uw rechtvaardigheid, en wanneer U vonnist, blijkt uw gelijk."
5 Als het kwaad dat wij doen aantoont dat God rechtvaardig is, kunnen we dan zeggen dat het onrechtvaardig is dat God ons straft? (Ik redeneer nu op menselijke wijze.) 6 Absoluut niet! Hoe anders zou God over de wereld oordelen? 7 Maar als God wordt geëerd doordat mijn onbetrouwbaarheid zijn betrouwbaarheid beter in de verf zet, waarom word ik dan nog als een zondaar veroordeeld? 8 En kunnen we dan zeggen: ‘Laten we het verkeerde doen opdat het goede eruit voortkomt?’ Sommigen beweren lasterlijk dat wij dat zeggen en het is terecht dat zij veroordeeld zullen worden.
9 Wat moeten we dan concluderen? Staan wij Joden er beter voor? Absoluut niet! Zoals we eerder zagen zijn we allemaal – zowel Joden als niet-Joden – in de macht van de zonde. 10 Het is zoals in de Schriften staat: "Er is niemand die rechtvaardig is, zelfs niet één. 11 Er is niemand die verstandig is, niemand die God zoekt. 12 Allemaal zijn ze afgedwaald, tezamen zijn ze nietswaardig geworden. Er is niemand die goed doet, zelfs niet één. 13 Hun keel is een open graf, hun tong verraderlijk, achter hun lippen zit addergif. 14 Hun mond is vol bittere vervloekingen. 15 Hun voeten staan klaar om bloed te vergieten. 16 Vernietiging en ellende liggen op hun pad. 17 Het vredespad kennen ze niet, 18 en ontzag voor God is niet wat zij voor ogen hebben."
19 Zoals we weten is hetgeen de Wet zegt, gericht tot die mensen op wie de Wet van toepassing is. Daarom heeft niemand recht van spreken en is de hele wereld verantwoording aan God verschuldigd. 20 Geen mens kan dus met Hem in het reine komen door de Wet na te leven, want door wetten ontdekt men wat zonde is.
21 Nu is echter onthuld hoe men buiten de Wet om met God in het reine kan komen, en de Wet en de Profeten getuigen daarvan. 22 We kunnen met God in het reine komen door in Jezus Christus te geloven. Dat geldt voor iedereen die gelooft, zonder onderscheid. 23 Want iedereen heeft gezondigd en leeft daardoor zonder Gods glorie, 24 maar wordt zonder er iets voor te moeten doen – uit genade – met God in het reine gebracht door de verlossing die Christus Jezus heeft bewerkstelligd. 25 Hij is door God aangeduid als het middel tot verzoening – doordat zijn bloed werd vergoten – en die verzoening ontvangen we door in Hem te geloven. Zo wordt Gods gerechtigheid aangetoond, want de zonden die voorheen zijn gepleegd waren onbestraft gebleven. 26 God heeft ze getolereerd, maar nu toont Hij zijn gerechtigheid. Hij is dus rechtvaardig, ook wanneer Hij vrijspreekt wie in Jezus gelooft. 27 Waarop kan ik dan fier zijn? Nergens op! Op mijn naleving van de Wet? Nee, maar wel op mijn geloof. 28 We concluderen dus dat de mens met God in het reine komt door te geloven, niet door de Wet na te leven. 29 Of is God enkel God van de Joden en niet van de niet-Joden? Nee, Hij is ook God van de niet-Joden. 30 Er is immers maar één God en Hij is het die zowel besneden als onbesneden mensen van schuld zal vrijspreken op grond van hun geloof. 31 Maken we de Wet dan ongedaan door te geloven? Absoluut niet. Het is andersom: we bevestigen de Wet.