1 Que dirons-nous donc És 51:2.qu’Abraham, notre père, a obtenu selon la chair? 2 Si Abraham a été justifié par les œuvres, il a sujet de se glorifier, mais non devant Dieu. 3 Car que dit l’Écriture? Ge 15:6.Ga 3:6.Ja 2:23.Abraham crut à Dieu, et cela lui fut imputé à justice. 4 Or, à celui qui fait une œuvre, le salaire est imputé, non comme une grâce, mais comme une chose due; 5 et à celui qui ne fait point d’œuvre, mais qui croit en celui qui justifie l’impie, sa foi lui est imputée à justice. 6 De même David exprime le bonheur de l’homme à qui Dieu impute la justice sans les œuvres:
7 Ps 32:1.Heureux ceux dont les iniquités sont pardonnées,
Et dont les péchés sont couverts!
8 Heureux l’homme à qui le Seigneur n’impute pas son péché!
9 Ce bonheur n’est-il que pour les circoncis, ou est-il également pour les incirconcis? Car nous disons que la foi fut imputée à justice à Abraham. 10 Comment donc lui fut-elle imputée? Était-ce après, ou avant sa circoncision? Il n’était pas encore circoncis, il était incirconcis. 11 Ge 17:11.Et il reçut le signe de la circoncision, comme sceau de la justice qu’il avait obtenue par la foi quand il était incirconcis, afin d’être le père de tous les incirconcis qui croient, pour que la justice leur fût aussi imputée, 12 et le père des circoncis, qui ne sont pas seulement circoncis, mais encore qui marchent sur les traces de la foi de notre père Abraham quand il était incirconcis.
13 En effet, ce n’est pas par la loi que l’héritage du monde a été promis à Abraham ou à sa postérité, c’est par la justice de la foi. 14 Ga 3:18.Car, si les héritiers le sont par la loi, la foi est vaine, et la promesse est anéantie, 15 parce que la loi produit la colère, et que Jn 15:22.Ro 5:20;7:8.Ga 3:19.là où il n’y a point de loi il n’y a point non plus de transgression. 16 C’est pourquoi les héritiers le sont par la foi, pour que ce soit par grâce, afin que la promesse soit assurée à toute la postérité, non seulement à celle qui est sous la loi, mais aussi à celle qui a la foi d’Abraham, És 51:2.notre père à tous, selon qu’il est écrit: 17 Ge 17:4.Je t’ai établi père d’un grand nombre de nations. Il est notre père devant celui auquel il a cru, Dieu, qui donne la vie aux morts, et qui appelle les choses qui ne sont point comme si elles étaient. 18 Espérant contre toute espérance, il crut, en sorte qu’il devint père d’un grand nombre de nations, selon ce qui lui avait été dit: Ge 15:5.Hé 11:12.Telle sera ta postérité. 19 Et, sans faiblir dans la foi, il ne considéra point que son corps était déjà usé, puisqu’il avait près de cent ans, et que Sara n’était plus en état d’avoir des enfants. 20 Jn 8:56.Hé 11:11,18.Il ne douta point, par incrédulité, au sujet de la promesse de Dieu; mais il fut fortifié par la foi, donnant gloire à Dieu, 21 Ps 115:3.et ayant la pleine conviction que ce qu’il promet il peut aussi l’accomplir. 22 C’est pourquoi cela lui fut imputé à justice. 23 Ro 15:4.Mais ce n’est pas à cause de lui seul qu’il est écrit que cela lui fut imputé; 24 c’est encore à cause de nous, à qui cela sera imputé, à nous qui croyons en celui qui a ressuscité des morts Jésus notre Seigneur, 25 lequel a été livré pour nos offenses, et est ressuscité pour notre justification.
1 Wat kunnen we dan zeggen over de ervaring van onze voorvader Abraham? 2 Als Abraham wegens zijn daden zou zijn vrijgesproken van schuld, dan zou hij iets hebben gehad waarop hij fier kon zijn. Maar zo werkt het niet bij God. 3 Want wat staat er in de Schriften? "Abraham geloofde God en op grond daarvan werd hij vrijgesproken van schuld". 4 Wanneer iemand arbeid verricht, wordt zijn loon niet beschouwd als een blijk van genade, maar als iets dat hem verschuldigd is. 5 Wie echter niet zelf het werk probeert te doen, maar vertrouwt op Degene die zondaars vrijspreekt, wordt vrijgesproken op grond van dat vertrouwen. 6 Ook David spreekt over de zegen voor de persoon die door God vrijgesproken wordt, ook al heeft die er niet voor gewerkt: 7 "Gezegend zijn zij wiens overtredingen zijn vergeven en wiens zonden zijn uitgewist. 8 Gezegend is de persoon aan wie de Heer zijn zonde niet toerekent."
9 Geldt deze zegen enkel voor besneden mensen of ook voor wie onbesneden is? We zeggen toch dat het op grond van zijn geloof is dat Abraham werd vrijgesproken? 10 Maar onder welke omstandigheden gebeurde dat? Was hij toen al besneden of nog niet? Hij was nog onbesneden. 11 Hij ontving de besnijdenis als een teken, een bezegeling van de vrijspraak van schuld die hij op grond van zijn geloof had ontvangen terwijl hij nog onbesneden was. Zo kon hij de vader van alle gelovigen worden, ook als ze niet besneden zijn. Daarom worden ook zij vrijgesproken op grond van hun geloof. 12 Abraham is ook de vader van de besnedenen. Dat zijn zij die niet enkel de besnijdenis hebben maar ook, door te geloven, treden in de voetstappen van onze vader Abraham toen hij nog onbesneden was.
13 Abraham en zijn afstammelingen ontvingen de belofte dat de wereld van hen zou zijn niet omdat hij de Wet naleefde, maar omdat hij, dankzij zijn geloof, met God in het reine was. 14 Immers, als het beloofde zou worden geschonken aan diegenen die de Wet naleven, dan zou het geloof geen waarde meer hebben en zou de belofte vervallen. 15 Want de Wet levert straf op, maar als er geen wetten zijn, dan kunnen ze niet worden overtreden.
16 De belofte berust dus op geloof, op genade. Om die reden geldt de belofte voor al Abrahams afstammelingen – niet enkel zij die de Wet hebben maar ook zij die zijn geloof hebben. Hij is de vader van ons allen, 17 want in de Schriften staat: "Ik heb van jou een vader van vele volken gemaakt." En dat is hij ook geworden voor de God in Wie hij geloofde, de God die de doden het leven geeft en die aan het onbestaande het bestaan schenkt. 18 Toen er geen hoop meer voor hem was, bleef hij geloven dat hij vader van vele volken zou worden, omdat hem was beloofd: "Zoveel afstammelingen zal je krijgen." 19 Zijn geloof verzwakte niet toen hij bedacht dat zijn eigen lichaam zo goed als dood was omdat hij bijna honderd jaar oud was, en dat Sara onvruchtbaar was. 20 Hij gaf het geloof niet op en twijfelde niet aan Gods belofte. Integendeel, zijn geloof werd sterker en hij gaf God de eer. 21 Hij was er volledig van overtuigd dat God in staat was om te doen wat Hij beloofd had. 22 Daarom werd Abraham vrijgesproken van schuld op grond van zijn geloof. 23 En dat er staat dat hij werd vrijgesproken, geldt niet alleen voor Abraham. 24 Het geldt ook voor ons: ook wij worden vrijgesproken op grond van ons geloof in Degene die Jezus, onze Heer, uit de dood heeft opgewekt. 25 Jezus werd overgeleverd voor onze overtredingen en weer tot leven gewekt voor onze vrijspraak.