Exhortations. Consécration à Dieu. Humilité et fidélité dans l’exercice des dons et fonctions
1 Je vous exhorte donc, frères, par les compassions de Dieu, 1 Pi 2:5.à offrir vos corps Ro 6:13,16.comme un sacrifice vivant, saint, agréable à Dieu, ce qui sera de votre part un culte raisonnable. 2 1 Jn 2:15.Ne vous conformez pas au siècle présent, mais soyez transformés par le renouvellement de l’intelligence, Ép 5:17.1 Th 4:3.afin que vous discerniez quelle est la volonté de Dieu, ce qui est bon, agréable et parfait. 3 Par la grâce Ro 1:5.qui m’a été donnée, je dis à chacun de vous Ép 4:7.de n’avoir pas de lui-même une trop haute opinion, mais de revêtir des sentiments modestes, selon la mesure de foi que 1 Co 12:11.Ép 4:7.Dieu a départie à chacun. 4 Car, 1 Co 12:27.Ép 1:23;4:16;5:23.Col 1:24.comme nous avons plusieurs membres dans un seul corps, et que tous les membres n’ont pas la même fonction, 5 1 Co 12:4.2 Co 10:13.1 Pi 4:10.ainsi, nous qui sommes plusieurs, nous formons un seul corps en Christ, et nous sommes tous membres les uns des autres. 6 Puisque nous avons 1 Co 12:4.des dons différents, selon la grâce qui nous a été accordée, que celui qui a le don 1 Co 12:10.de prophétie l’exerce selon l’analogie de la foi; 7 que celui qui est appelé 1 Pi 4:10,11.au ministère s’attache à son ministère; que celui qui enseigne s’attache à son enseignement, 8 et celui qui exhorte à l’exhortation. Que celui qui donne le fasse Mt 6:1,2,3.avec libéralité; que celui qui préside le fasse avec zèle; que celui qui pratique la miséricorde le fasse De 15:7.2 Co 9:7.avec joie.
Applications diverses de la charité
9 Que la charité soit sans hypocrisie. Ps 97:10.Am 5:15.Ayez le mal en horreur; attachez-vous fortement au bien. 10 Ép 4:2.Hé 13:1.1 Pi 1:22;2:17.Par amour fraternel, Ph 2:3.1 Pi 5:5.soyez pleins d’affection les uns pour les autres; par honneur, usez de prévenances réciproques. 11 Ayez du zèle, et non de la paresse. Soyez fervents d’esprit. Servez le Seigneur. 12 Ro 15:13.1 Th 5:16.Réjouissez-vous en espérance. Hé 10:36;12:1.Ja 5:7.Soyez patients dans l’affliction. Lu 18:1.Ép 6:18.Col 4:2.1 Th 5:17.Persévérez dans la prière. 13 1 Co 16:1.Pourvoyez aux besoins des saints. Hé 13:2.1 Pi 4:9.Exercez l’hospitalité. 14 Mt 5:44.1 Co 4:12.Bénissez ceux qui vous persécutent, bénissez et ne maudissez pas. 15 Réjouissez-vous avec ceux qui se réjouissent; pleurez avec ceux qui pleurent. 16 Ro 15:5.1 Co 1:10.Ph 2:2;3:16.1 Pi 3:8.Ayez les mêmes sentiments les uns envers les autres. Pr 3:7.És 5:21.N’aspirez pas à ce qui est élevé, mais laissez-vous attirer par ce qui est humble. Ne soyez point sages à vos propres yeux.
17 Pr 20:22.Mt 5:39.1 Co 6:7.1 Th 5:15.Ne rendez à personne le mal pour le mal. 2 Co 8:21.1 Pi 2:12.Recherchez ce qui est bien devant tous les hommes. 18 Mc 9:50.Hé 12:14.S’il est possible, autant que cela dépende de vous, soyez en paix avec tous les hommes. 19 Mt 5:39.Lu 6:29.Ne vous vengez point vous-mêmes, bien-aimés, mais laissez agir la colère; car il est écrit: De 32:35.Hé 10:30.A moi la vengeance, à moi la rétribution, dit le Seigneur. 20 Pr 25:21.Mt 5:44.Mais si ton ennemi a faim, donne-lui à manger; s’il a soif, donne-lui à boire; car en agissant ainsi, ce sont des charbons ardents que tu amasseras sur sa tête. 21 Ne te laisse pas vaincre par le mal, mais surmonte le mal par le bien.
1 Broeders en zusters, ik spoor jullie aan op grond van Gods mededogen, geef jezelf aan God, als een levend offer dat aan Hem gewijd is en Hem vreugde geeft; dat is de juiste manier om God te eren. 2 Pas je niet aan de huidige wereld aan, maar verander door je denken te laten vernieuwen. Dan zal je kunnen onderscheiden wat God wil: het goede, mooie en volmaakte.
3 Op grond van de genade die mij geschonken is zeg ik tegen ieder van jullie: schat jezelf niet te hoog in, maar oordeel nuchter over jezelf, in verhouding tot de hoeveelheid geloof die God je heeft toebedeeld. 4 Een lichaam bevat namelijk veel delen, en al die lichaamsdelen hebben een andere functie. 5 Zo is het ook met ons die bij Christus horen: we verhouden ons ten opzichte van elkaar als de vele delen van één lichaam. 6 We hebben verschillende geestesgaven, afhankelijk van de genade die ons is geschonken. Wie de gave van profetie heeft, behoort de boodschap van God door te geven in overeenstemming met de mate van zijn geloof; 7 wie de gave van dienstbetoon heeft, behoort te dienen en wie de gave van onderwijs heeft, te onderwijzen; 8 wie de gave van bemoediging heeft, behoort te bemoedigen en wie de gave van vrijgevigheid heeft, behoort vrijgevig te zijn; wie de gave heeft om leiding te geven, behoort enthousiast leiding te geven en wie de gave van mededogen heeft, behoort zich met een blijmoedig hart om anderen te bekommeren.
9 Zorg dat je liefdebetoon oprecht is. Heb een afkeer van het kwaad, wees gehecht aan het goede. 10 Ga liefdevol en hartelijk met elkaar om; wees kwistig met je eerbetoon aan elkaar. 11 Laat je ijver niet verslappen, maar blijf vol vuur de Heer dienen. 12 Verheug je omdat je hoop hebt, volhard als je het moeilijk hebt, wijd jezelf toe aan het gebed. 13 Lenig de nood van je medechristenen en wees gastvrij. 14 Zegen wie je vervolgt; zegen in plaats van te verwensen. 15 Wanneer anderen blij zijn, verheug je dan samen met hen. Wanneer anderen treuren, treur dan met hen mee. 16 Wees onderling eensgezind, niet hooghartig, maar stel je bescheiden op, en word niet eigenwijs. 17 Vergeld nooit kwaad met kwaad, maar probeer te doen wat goed is in de ogen van alle mensen. 18 Bewaar zo mogelijk, voor zover het van jullie afhangt, de vrede met alle mensen. 19 Beste vrienden, neem zelf geen wraak, maar laat de straf over aan God, want in de Schriften staat dat de Heer zegt: "Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden." 20 Als je vijand honger heeft, geef hem dan te eten en als hij dorst heeft, geef hem dan te drinken, want zo stapel je als het ware gloeiende kolen op zijn hoofd. 21 Laat je niet door het kwaad overwinnen, maar overwin het kwaad door middel van het goede.