Fruits de la justification par la foi
1 És 32:17.Jn 16:33.Ép 2:13.Étant donc justifiés par la foi, nous avons la paix avec Dieu par notre Seigneur Jésus-Christ, 2 Jn 10:9;14:6.Ép 2:18;3:12.Hé 10:19.à qui nous devons d’avoir eu par la foi accès à cette grâce, dans laquelle nous 1 Co 15:1.demeurons fermes, et nous nous Hé 3:6.glorifions dans l’espérance de la gloire de Dieu. 3 Bien plus, Ja 1:3.nous nous glorifions même des afflictions, sachant que l’affliction produit la persévérance, 4 la persévérance la victoire dans l’épreuve, et cette victoire l’espérance. 5 Or, l’espérance ne trompe point, parce que l’amour de Dieu est répandu dans nos cœurs par le Saint-Esprit qui nous a été donné. 6 Ép 2:1.Col 2:13.Hé 9:15.1 Pi 3:18.Car, lorsque nous étions encore sans force, Christ, au temps marqué, est mort pour des impies. 7 A peine mourrait-on pour un juste; quelqu’un peut-être mourrait-il pour un homme de bien. 8 Mais Dieu prouve son amour envers nous, en ce que, lorsque nous étions encore des pécheurs, Christ Hé 9:15.1 Pi 3:18.est mort pour nous. 9 A plus forte raison donc, maintenant que nous sommes justifiés par son sang, serons-nous sauvés par lui de la colère. 10 Car si, lorsque nous étions ennemis, nous avons été réconciliés avec Dieu par la mort de son Fils, à plus forte raison, étant réconciliés, serons-nous sauvés par sa vie. 11 Et non seulement cela, mais encore nous nous glorifions en Dieu par notre Seigneur Jésus-Christ, par qui maintenant nous avons obtenu la réconciliation.
Le péché et la grâce
12 C’est pourquoi, comme Ge 3:6.1 Co 15:21.par un seul homme le péché est entré dans le monde, et par le péché Ge 2:17.Ro 6:23.la mort, et qu’ainsi la mort s’est étendue sur tous les hommes, parce que tous ont péché,… 13 car jusqu’à la loi le péché était dans le monde. Or, le péché n’est pas imputé, quand il n’y a point de loi. 14 Cependant la mort a régné depuis Adam jusqu’à Moïse, même sur ceux qui n’avaient pas péché par une transgression semblable à celle d’Adam, lequel est la figure de celui qui devait venir. 15 Mais il n’en est pas du don gratuit comme de l’offense; car, si par l’offense d’un seul il en est beaucoup qui sont morts, à plus forte raison la grâce de Dieu et le don de la grâce venant d’un seul homme, Jésus-Christ, ont-ils été abondamment répandus sur beaucoup. 16 Et il n’en est pas du don comme de ce qui est arrivé par un seul qui a péché; car c’est après une seule offense que le jugement est devenu condamnation, tandis que le don gratuit devient justification après plusieurs offenses. 17 Si par l’offense d’un seul la mort a régné par lui seul, à plus forte raison ceux qui reçoivent l’abondance de la grâce et du don de la justice régneront-ils dans la vie par Jésus-Christ lui seul. 18 Ainsi donc, comme par une seule offense la condamnation a atteint tous les hommes, de même par un seul acte de justice la justification qui donne la vie s’étend à tous les hommes. 19 Car, comme par la désobéissance d’un seul homme beaucoup ont été rendus pécheurs, de même par l’obéissance d’un seul beaucoup seront rendus justes. 20 Jn 15:22.Ro 4:15;7:8.Ga 3:19.Or, la loi est intervenue pour que l’offense abondât, Lu 7:47.mais là où le péché a abondé, la grâce a surabondé, 21 afin que, comme le péché a régné par la mort, ainsi la grâce régnât par la justice pour la vie éternelle, par Jésus-Christ notre Seigneur.
1 We zijn dus vrijgesproken op grond van ons geloof, en we hebben vrede met God dankzij onze Heer Jezus Christus. 2 Ook hebben wij, dankzij Hem en door het geloof, toegang verkregen tot de genade. Wij ervaren die genade nu al, en we zijn fier op onze verwachting dat we straks Gods glorie zullen ervaren. 3 Dat niet alleen, wij zijn zelfs fier op onze moeilijkheden, want we weten dat moeilijkheden volharding opleveren. 4 Die volharding levert betrouwbaarheid op, en die betrouwbaarheid levert hoop op. 5 Die hoop zal ons niet beschamen, want Gods liefde is in ons hart uitgestort door de Heilige Geest, die Hij ons geschonken heeft.
6 Want op het door God gekozen tijdstip, toen wij nog hulpeloos waren, is Christus voor de goddelozen gestorven. 7 Het gebeurt zelden dat iemand voor een rechtvaardig mens sterft, maar wie weet is er iemand die het zou aandurven om voor een goed mens te sterven. 8 God daarentegen bewijst zijn liefde voor ons doordat Christus voor ons stierf toen wij nog zondaars waren. 9 En omdat wij met God in het reine zijn gekomen doordat Christus' bloed voor ons is vergoten, mogen we erop rekenen dat we dankzij Christus van Gods straf bewaard zullen blijven. 10 Toen we nog vijanden van Hem waren, zijn we met God verzoend door de dood van zijn Zoon. En nu we met Hem verzoend zijn, mogen we er zeker van zijn dat we, doordat Hij leeft, gered zullen worden. 11 Dat niet alleen, wij prijzen onszelf gelukkig dat we bij God horen, dankzij onze Heer Jezus Christus, door Wie wij de verzoening hebben ontvangen.
12 Het is door één mens dat de zonde de wereld is binnengekomen, en door de zonde de dood. Zo is de dood bij alle mensen gekomen, omdat allen hebben gezondigd. 13 Voordat de Wet kwam, was er al zonde in de wereld, maar zonde wordt niet toegerekend als er geen wetten zijn. 14 Toch regeerde de dood in de tijd van Adam tot Mozes, zelfs over de mensen die niet hadden gezondigd door een specifiek gebod te overtreden, zoals Adam. Adam kan worden vergeleken met Degene die zou komen. 15 Het genadige geschenk is echter niet vergelijkbaar met de overtreding. Want de overtreding van één mens heeft weliswaar tot de dood van velen geleid, maar dat weegt niet op tegen Gods genade en tegen het geschenk dat velen hebben ontvangen door de genade van die andere Mens, Jezus Christus. 16 Het genadige geschenk is evenmin vergelijkbaar met de zonde van die eerste mens. Het vonnis over die overtreding verklaart die eerste mens weliswaar schuldig, maar het genadige geschenk dat na vele overtredingen werd geschonken, resulteert in vrijspraak van schuld. 17 En de dood regeerde weliswaar als gevolg van de overtreding van één mens, maar het is nog zekerder dat zij die de vrijspraak van schuld ontvangen als een geschenk dat uit overvloedige genade is gegeven, in het nieuwe leven mogen regeren dankzij die andere Mens, Jezus Christus. 18 Wij concluderen dat zoals de overtreding van één mens de veroordeling van alle mensen teweegbracht, de rechtvaardigheid van die andere Mens vrijspraak en leven voor alle mensen heeft bewerkstelligd. 19 En zoals velen zondaars zijn geworden door de ongehoorzaamheid van één mens, zo worden velen vrijgesproken van schuld door de gehoorzaamheid van die andere Mens. 20 Doordat de Wet erbij is gekomen, zijn de overtredingen toegenomen, maar waar de zonde toenam, werd de genade nog overvloediger. 21 Wij concluderen dat zoals de zonde regeerde en tot de dood leidde, de vrijspraak van schuld ervoor heeft gezorgd dat de genade regeert en tot het eeuwig leven leidt dankzij Jezus Christus, onze Heer.