1 Paetkaa, benjaminilaiset, Jerusalemista, puhaltakaa pasunaan Tekoassa ja nostakaa merkki Beet-Keremin kohdalle; sillä pohjoisesta nousee onnettomuus ja suuri hävitys.

2 Tytär Siionin, suloisen ja hemmotellun, minä hukutan.

3 Hänen tykönsä tulee paimenia laumoinensa, he pystyttävät telttansa häntä vastaan yltympäri, syöttävät alansa kukin.

6 Sillä näin sanoo Herra Sebaot: Kaatakaa puita ja luokaa valli Jerusalemia vastaan. Se on kaupunki, jota on rangaistava; siinä on pelkkää väkivaltaa.

7 Niinkuin kaivo pitää vetensä tuoreena, niin sekin pitää pahuutensa tuoreena; sortoa, hävitystä kuuluu sieltä, minun edessäni on aina kipu ja haavat.

8 Ota ojentuaksesi, Jerusalem, ettei minun sieluni vieraannu sinusta, etten tee sinua autioksi, asumattomaksi maaksi.

9 Näin sanoo Herra Sebaot: Israelin jäännöksestä pidetään jälkikorjuu niinkuin viinipuusta; ojenna kätesi köynnöksiä kohti niinkuin viininkorjaaja.

10 Kenelle minä puhuisin, ketä varoittaisin, että he kuulisivat? Katso, heidän korvansa ovat ympärileikkaamattomat, eivät he voi kuunnella. Katso, Herran sana on tullut heille pilkaksi, ei se heille kelpaa.

11 Minä olen täynnä Herran vihaa, en jaksa sitä pidättää; vuodata se lapsukaisiin kadulla, niin myös nuorukaisparveen. Sillä niin mies kuin vaimokin vangitaan, niin vanhus kuin ikäloppu.

12 Heidän talonsa joutuvat vieraille, niin myös pellot ja vaimot; sillä minä ojennan käteni maan asukkaita vastaan, sanoo Herra.

13 Sillä kaikki, niin pienet kuin suuretkin, pyytävät väärää voittoa, kaikki, niin profeetat kuin papitkin, harjoittavat petosta.

15 He joutuvat häpeään, sillä he ovat tehneet kauhistuksia; mutta heillä ei ole hävyntuntoa, he eivät osaa hävetä. Sentähden he kaatuvat kaatuvien joukkoon, sortuvat, kun minä heitä rankaisen, sanoo Herra.

18 Sentähden kuulkaa, te kansat, ja tiedä, seurakunta, mitä heille on tapahtuva.

19 Kuule, maa! Katso, minä tuotan onnettomuuden tälle kansalle, heidän hankkeittensa hedelmän, sillä he eivät ole kuunnelleet minun sanojani, vaan ovat hyljänneet minun lakini.

20 Mitä on minulle suitsutus, joka tulee Sabasta, ja paras kalmoruoko kaukaisesta maasta? Teidän polttouhrinne eivät ole minulle otolliset, eivätkä teidän teurasuhrinne minulle kelpaa.

21 Sentähden, näin sanoo Herra: Katso, minä asetan tälle kansalle kompastuskiviä, joihin he kompastuvat, isät ja pojat yhdessä, ja naapuri naapurinsa kanssa hukkuu.

22 Näin sanoo Herra: Katso, kansa tulee pohjoisesta maasta, suuri kansa nousee maan perimmäisiltä ääriltä.

23 He käyttävät jousta ja keihästä, ovat julmat ja armahtamattomat. Heidän pauhinansa on kuin pauhaava meri, ja he ratsastavat hevosilla, varustettuina kuin soturi taisteluun sinua vastaan, tytär Siion.

24 Kun kuulemme siitä sanoman, niin meidän kätemme herpoavat; ahdistus valtaa meidät, tuska, niinkuin synnyttäväisen.

25 Älkää menkö vainiolle, älkää vaeltako tiellä, sillä vihollisen miekka-kauhistus on kaikkialla!

26 Tytär, minun kansani! Kääriydy säkkiin, vieriskele tuhassa; pidä itkiäiset, niinkuin ainokaista poikaa itketään, katkerat valittajaiset, sillä äkkiarvaamatta käy kimppuumme hävittäjä.

27 Minä olen asettanut sinut kansani koettelijaksi, suojavarustukseksi, että oppisit tuntemaan ja koettelisit heidän vaelluksensa.

28 Kaikki he ovat pääniskureita, liikkuvat panettelijoina; he ovat vaskea ja rautaa, ovat kelvottomia kaikki tyynni.

29 Palkeet puhkuvat, tulesta lähtee vain lyijyä. Turhaan on sulatettu ja sulatettu: pahat eivät ole erottuneet.

30 Hylkyhopeaksi heitä sanotaan, sillä Herra on heidät hyljännyt.

1 Vlucht met hopen, gij kinderen van Benjamin! uit het midden van Jeruzalem, en blaast de bazuin te Thekoa, en heft een vuurteken op te Beth-Cherem; want er kijkt een kwaad uit van het noorden, en een grote breuk.

2 Ik heb wel de dochter Sions bij een schone en wellustige vrouw vergeleken.

3 Maar er zullen herders tot haar komen met hun kudden; zij zullen tenten rondom tegen haar opslaan; zij zullen een iegelijk zijn ruimte afweiden.

4 Heiligt den krijg tegen haar, maakt u op, en laat ons optrekken op den middag; o, wee ons! want de dag heeft zich gewend, want de avondschaduwen neigen zich.

5 Maakt u op, en laat ons optrekken in den nacht, en haar paleizen verderven!

6 Want zo zegt de HEERE der heirscharen: Houwt bomen af, en werpt een wal op tegen Jeruzalem; zij is de stad, die bezocht zal worden; in het midden van haar is enkel verdrukking.

7 Gelijk een bornput zijn water opgeeft, alzo geeft zij haar boosheid op; geweld en verstoring wordt in haar gehoord, weedom en plaging is steeds voor Mijn aangezicht.

8 Laat u tuchtigen, Jeruzalem! opdat Mijn ziel niet van u afgetrokken worde, opdat Ik u niet stelle tot een woestheid, tot een onbewoond land.

9 Zo zegt de HEERE der heirscharen: Zij zullen Israels overblijfsel vlijtiglijk nalezen, gelijk een wijnstok; breng uw hand weder, gelijk een wijnlezer, aan de korven.

10 Tot wie zal ik spreken en betuigen, dat zij het horen? Ziet, hun oor is onbesneden, dat zij niet kunnen toeluisteren; ziet, het woord des HEEREN is hun tot een smaad, zij hebben geen lust daartoe.

11 Daarom ben ik vol van des HEEREN grimmigheid, ik ben moede geworden van inhouden; ik zal ze uitstorten over de kinderkens op de straat, en over de vergadering der jongelingen te zamen; want zelfs de man met de vrouw zullen gevangen worden, de oude met dien, die vol is van dagen.

12 En hun huizen zullen omgewend worden tot anderen, met te zamen de akkers en vrouwen; want Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen de inwoners dezes lands, spreekt de HEERE.

13 Want van hun kleinste aan tot hun grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid, en van den profeet aan tot den priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid.

14 En zij genezen de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede.

15 Zijn zij beschaamd, omdat zij gruwel bedreven hebben? Ja, zij schamen zich in het minste niet, weten ook niet van schaamrood te maken; daarom zullen zij vallen onder de vallenden, ten tijde als Ik hen bezoeken zal, zullen zij struikelen, zegt de HEERE.

16 Zo zegt de HEERE: Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult gij rust vinden voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij zullen daarin niet wandelen.

17 Ik heb ook wachters over ulieden gesteld, zeggende: Luistert naar het geluid der bazuin; maar zij zeggen: Wij zullen niet luisteren.

18 Daarom hoort, gij heidenen! en verneem, o gij vergadering! wat onder hen is.

19 Hoor toe, gij aarde! Zie, Ik zal een kwaad brengen over dit volk, de vrucht hunner gedachten; want zij merken niet op Mijn woorden, en Mijn wet verwerpen zij.

20 Waartoe zal dan de wierook voor Mij uit Scheba komen, en de beste kalmus uit verren lande? Uw brandofferen zijn Mij niet behagelijk, en uw slachtofferen zijn Mij niet zoet.

21 Daarom zegt de HEERE alzo: Ziet, Ik zal dit volk allerlei aanstoot stellen; en daaraan zullen zich stoten te zamen vaders en kinderen, de nabuur en zijn metgezel, en zullen omkomen.

22 Zo zegt de HEERE: Ziet, er komt een volk uit het land van het noorden, en een grote natie zal opgewekt worden uit de zijden der aarde.

23 Boog en spies zullen zij voeren, het is een wreed volk, en zij zullen niet barmhartig zijn; hun stem zal bruisen als de zee, en op paarden zullen zij rijden; het is toegerust, als een man ten oorlog tegen u, o dochter van Sion!

24 Wij hebben zijn gerucht gehoord, onze handen zijn slap geworden; benauwdheid heeft ons aangegrepen, weedom als van een barende vrouw.

25 Gaat niet uit in het veld, noch wandelt op den weg; want des vijands zwaard is er, schrik van rondom!

26 O dochter Mijns volks! gord een zak aan, en wentel u in de as, maak u rouw eens enigen zoons, een zeer bitter misbaar; want de verstoorder zal ons snellijk overkomen.

27 Ik heb u onder Mijn volk gesteld, tot een wachttoren, tot een vesting; opdat gij hun weg zoudt weten en proeven.

28 Zij zijn allen de afvalligsten der afvalligen, wandelende in achterklap; zij zijn koper en ijzer; zij zijn altemaal verdervers.

29 De blaasbalg is verbrand, het lood is van het vuur verteerd; te vergeefs heeft de smelter zo vlijtiglijk gesmolten, dewijl de bozen niet afgetrokken zijn.

30 Men noemt ze een verworpen zilver; want de HEERE heeft hen verworpen.