Publicidade

Hebreus 11

MRI2012

1 Geloof is zeker zijn van hetgeen we verwachten, overtuigd zijn van zaken die we niet zien. 2 Het is om hun geloof dat onze voorouders werden geprezen. 3 Door het geloof begrijpen wij dat het heelal is gemaakt doordat God sprak, en dat het zichtbare dus is ontstaan uit het niet-zichtbare. 4 Door zijn geloof bracht Abel een offer aan God dat gepaster was dan dat van Kaïn. Wegens zijn geloof werd hij rechtvaardig verklaard: God aanvaardde wat Abel Hem gaf. En door zijn geloof spreekt Abel nog altijd, hoewel hij dood is. 5 Door zijn geloof werd Henoch weggenomen, zodat hij niet moest sterven. Hij bleek onvindbaar, want God had hem weggenomen. Vooraleer hij werd weggenomen, had God verklaard dat Hij tevreden over hem was. 6 Als wij niet geloven, kan God onmogelijk tevreden over ons zijn, want wie Hem wil benaderen moet geloven dat Hij bestaat en dat Hij beloont wie Hem zoekt. 7 Door zijn geloof bouwde Noach, toen hij werd gewaarschuwd over een gevaar dat nog niet zichtbaar was, uit eerbied voor God de ark waarin zijn gezin gered zou worden. Zo veroordeelde hij de wereld en kreeg hij deel aan de vrijspraak van schuld op grond van het geloof. 8 Door zijn geloof vertrok Abraham, toen hij werd geroepen, gehoorzaam naar een plaats die God hem en zijn erfgenamen zou geven. Hij vertrok zonder te weten waarheen. 9 Door zijn geloof verbleef hij als vreemdeling in het land dat hem beloofd was. Hij woonde in tenten, net als Isaak en Jakob, zijn erfgenamen op wie deze belofte ook van toepassing was. 10 Hij keek namelijk uit naar de stad met fundamenten de stad waarvan God de architect en de bouwer is. 11 Door haar geloof kon Sara zwanger worden, hoewel ze daar reeds te oud voor was; zij vertrouwde er namelijk op dat God zijn belofte zou waarmaken. 12 Daardoor kreeg één man, die al bijna dood was, zoveel afstammelingen als er sterren aan de hemel staan een nageslacht zo ontelbaar als het zand op het zeestrand.

13 Al deze mensen zijn vol geloof gestorven; ze hebben niet ontvangen wat hun was beloofd, maar ze zagen het van ver, verwelkomden het, verheugden zich erop en erkenden dat ze vreemdelingen waren die niet op aarde thuishoorden. 14 Door die erkenning maakten ze duidelijk dat ze op zoek waren naar een thuis. 15 Daarmee bedoelden ze niet het land waaruit ze afkomstig waren, want dan hadden ze gewoon kunnen terugkeren als ze heimwee hadden. 16 Nee, ze verlangden naar een betere thuis, in de hemel. Daarom schaamt God zich er niet voor hun God te worden genoemd. Hij heeft zelfs een stad voor hen gebouwd.

17 Door zijn geloof was Abraham bereid Isaak zijn enige zoon, die God hem had beloofd en die hij van Hem had ontvangen te offeren toen God hem op de proef stelde. 18 Er was tegen Abraham gezegd: "De afstammelingen van Isaak zullen jouw afstammelingen worden genoemd". 19 Abraham was ervan overtuigd dat God de doden tot leven kon wekken en hij kreeg Isaak bij wijze van spreken uit de dood terug. 20 Door zijn geloof sprak Isaak zegeningen over Jakob en Esau uit met betrekking tot de toekomst. 21 Door zijn geloof sprak Jakob, toen hij op sterven lag, zegeningen uit over de twee zonen van Jozef en aanbad hij God, steunende op de knop van zijn staf. 22 Door zijn geloof sprak Jozef, tegen het einde van zijn leven, over de uittocht van het volk Israël uit Egypte en gaf hij aan wat er met zijn stoffelijk overschot gedaan moest worden. 23 Door hun geloof konden de ouders van Mozes hem na zijn geboorte drie maanden lang verborgen houden; zij zagen dat hij een bijzonder kind was en waren niet bang voor de bevelen van de farao. 24 Door zijn geloof weigerde Mozes, toen hij volwassen was geworden, door te gaan voor de zoon van Farao’s dochter. 25 Hij besloot dat hij liever slecht werd behandeld, samen met Gods volk, dan te genieten van het tijdelijke plezier dat de zonde biedt. 26 Hij beschouwde het lijden van de Messias als waardevoller dan de rijkdom van Egypte, omdat hij uitkeek naar de beloning. 27 Door zijn geloof verliet hij Egypte zonder bang te zijn voor de woede van de farao; hij hield vol, alsof hij Hem had gezien die men niet kan zien. 28 Door zijn geloof stelde hij het Pesach in; hij liet de deurposten met bloed bestrijken opdat de engel die de dood brengt de eerstgeboren kinderen van de Israëlieten zou sparen. 29 Door hun geloof trokken de Israëlieten door de Rode Zee alsof het droog land was, maar toen de Egyptenaren dat ook probeerden verdronken zij. 30 Door het geloof zijn de muren van Jericho ingestort nadat de Israëlieten er zeven dagen lang omheen waren getrokken. 31 Door haar geloof werd Rachab, de prostituee die gastvrijheid had verleend aan de verkenners, gespaard toen haar ongehoorzame stadsgenoten werden omgebracht.

32 Wat zal ik nog meer vertellen? Het ontbreekt mij aan tijd om te vertellen over Gideon, Barak, Simson, Jefta, David, Samuel en de profeten. 33 Zij hebben door hun geloof koninkrijken verslagen, het recht toegepast, en verkregen wat hen beloofd was. Ze hebben leeuwenmuilen toegeklemd, 34 laaiende vuren gedoofd en zijn aan de dood door het zwaard ontsnapt. Hun zwakheid werd kracht, ze werden sterk in de strijd en verjoegen vijandelijke legers. 35 Vrouwen kregen hun doden terug doordat die verrezen. Anderen werden gemarteld en weigerden hun invrijheidstelling, om zo iets beters te bemachtigen, namelijk hun verrijzenis. 36 Weer anderen kregen te maken met vernedering en geseling, zelfs met arrestatie en gevangenschap. 37 Ze werden gestenigd, doormidden gezaagd of met het zwaard omgebracht; ze zwierven rond in schapenvachten en geitenvellen; ze leden gebrek en werden vervolgd en mishandeld. 38 Ze waren te goed voor deze wereld; ze dwaalden rond in woestijnen en in de bergen; ze leefden in grotten en holen onder de grond. 39 Al deze mensen werden wel geprezen om hun geloof, maar hebben niet ontvangen wat hun was beloofd. 40 Omdat God iets beters voor ons had voorzien, konden zij, zonder ons, de vervulling van Gods belofte nog niet meemaken.

Te Whakapono

1 , ko te whakapono, he whakapūmautanga i ngā mea e tūmanakohia atu ana, he whakakitenga i ngā mea kāhore nei e kitea. 2 konei hoki ngā kaumātua i kōrerotia paitia ai.

3 te whakapono i mātau ai tātou he mea hanga ngā ao e te kupu a te Atua, ā, ko ngā mea e tirohia atu nei kīhai i puta ake i roto i ngā mea e kitea ana.

4 te whakapono i pai ake ai i Kaina te patunga tapu i tāpaea e Āpera ki te Atua, tēnā hoki i whakaatu tōna tika, i whakaatu hoki te Atua āna whakahere; tēnā anō ia i whai kupu ai, ahakoa mate.

5 te whakapono a Ēnoka i kawea kētia ai, kite i te mate. , kāhore ia i kitea, te mea kua kawea kētia ia e te Atua; i mua atu hoki i tōna kawenga kētanga i whakaaturia mai ia, e āhuareka ana te Atua ki a ia. 6 Ki te kāhore hoki he whakapono, e kore e taea he mea e āhuareka mai ai ia. Ki te haere hoki tētahi ki te Atua, me whakapono ko ia anō tēnei ko te Atua, e hōmai ana e ia he utu ki te hunga e āta rapu ana i a ia.

7 te whakapono a Noa, i tōna whakamaharatanga e te Atua ki ngā mea kāhore i kitea noatia, i oho ai, he wehi ki te Atua, ā, hangā ana e ia te āka hei whakaora tōna whare; he whakataunga tēnā nāna i te ki te ao, ā, uru ana ki te tika o te whakapono.

8 te whakapono a Āperahama i ngohengohe ai, i tōna karangatanga kia haere ki te wāhi meāke riro i a ia hei kāinga; ā, haere ana ia, mātau ki te wāhi e haere ai ia. 9 te whakapono ia i noho manene ai ki te whenua i whakaaria mai, he whenua tangata anō ki a ia, ā, noho tēneti ana ia, rātou ko Īhaka, ko Hākopa, ōna hoa kua uru tahi nei rātou ki taua mea i whakaaria mai . 10 I tatari hoki ia ki te whai tūranga, ko te Atua nei te kaihanga, te kaimahi.

11 Me Hera anō hoki, te whakapono ia i whai kaha ai, i hapū ai, ā, whānau ana tāna tama i te mea kua taka ōna tau; i mahara hoki ia he pono te kaiwhakaari mai. 12 , whānau ake i te kotahi, he tangata anō hoki ia kua whakatūpāpakutia ki ēnei mea, me te mea ko ngā whetū o te rangi te tini, koia anō kei te onepū i te taha o te moana e kore nei e taea te tatau.

13 I mate katoa ēnei i runga i te whakapono, kīhai i whiwhi ki ngā mea i whakaaria mai , engari he mea kite atu rātou i tawhiti, ā, whakaponohia atu ana e rātou, awhitia atu ana, whakaae ana rātou he manene rātou, he noho noa iho i runga i te whenua. 14 Ko te hunga hoki he pēnei ā rātou kōrero, e whakakite ana rātou he whenua tupu rātou e rapu nei. 15 Me i mahara hoki rātou ki taua kāinga i haere mai nei rātou i reira, pēnei kua ātea he hokinga atu rātou. 16 Tēnā ko tēnei, e hiahia ana rātou ki tētahi kāinga pai ake, ki tērā i te rangi. Koia te Atua whakamā ai ki a rātou, kia kīia ko rātou Atua; kua rite hoki i a ia tētahi rātou.

17 te whakapono a Āperahama i tāpae ai i a Īhaka, i tōna whakamātautauranga; āe , ko te tangata i a ia nei ngā kupu whakaari, tāpaea ana e ia tāna huatahi, 18 mōna nei te kupu, "Kei a Īhaka he huānga tāu whānau." 19 I whakaaro hoki ia, ahakoa i roto nei anō i te hunga mate, e taea ia e te Atua te whakaara ake; ā, riro mai ana ia i reira, he mea whakaahua.

20 te whakapono Īhaka kupu manaaki Hākopa rāua ko Ēhau; he meatanga ki ngā mea ō muri nei.

21 te whakapono a Hākopa, i a ia ka tata te mate, i manaaki ai i ngā tama tokorua a Hōhepa; ā, koropiko ana i runga i tāna tokotoko.

22 te whakapono a Hōhepa, i a ia e whakahemohemo ana i whakahua ai i te haerenga mai o ngā tamariki a Īharaira; i whakatakoto tikanga ai anō ōna wheua.

23 te whakapono a Mohi, i tōna whānautanga, i hunā ai e ōna mātua e toru ngā marama, i kite hoki rāua he tamaiti ātaahua ia; kīhai hoki rāua i mataku ki te ture a te kīngi.

24 te whakapono a Mohi, i tōna kaumātuatanga, kīhai i pai kia kīia he tama te tamāhine a Parao; 25 ki tāna hoki, ko te mamae tahi me te Atua iwi, he mea pai atu i ngā āhuareka o te hara kia riro tētahi . 26 Ki tōna whakaaro, ko te tāwainga te Karaiti, he taonga nui atu i ngā taonga o Īhipa; i titiro atu hoki ia ki te utu ka hōmai.

27 te whakapono ia i haere atu ai i Īhipa, kīhai hoki i mataku i te riri a te kīngi; i ū tonu hoki ia, he titiro nōna ki te Atua e kore nei e kitea. 28 te whakapono ia i whakarite ai i te Kapenga, i te ringihanga toto, kei ki a rātou te kaiwhakamate i ngā whānau mātāmua.

29 te whakapono rātou i haere ai te Moana Whero me te mea e runga ana i te whenua maroke; ā, i te whakamātauranga a ngā Īhipiana, ki te pērā horomia ake rātou.

30 te whakapono ngā taiepa o Heriko i whenuku ai, i te mea e whitu ngā e taiāwhiotia ana. 31 te whakapono a Rahapa, te wahine kairau, i kore ai e whakangaromia ngātahitia me te hunga whakapono kore, mōna i whakamanuhiri i ngā tūtei i runga i te rangimārie.

32 Kia pēhea ake anō hoki āku kōrero? E kore hoki e ranea te tāima hei kōrerotanga māku i ngā mea a Kiriona, a Paraka, a Hamahona, a Iepeta, a Rāwiri, a Hamuera, a ngā poropiti. 33 te whakapono nei i hinga ai i a rātou ngā rangatiratanga, i mahia ai e rātou te tika, i whiwhi ai rātou ki ngā mea i whakaaria mai i mua, i tūtakina ai e rātou ngā waha o ngā raiona, 34 i tineia ai e rātou te kaha o te ahi, i mawhiti ai i te mata o te hoari, i haere atu ai i te ngoikore ki te kaha, i meinga ai kia kaha i te whawhaitanga, whati ana i a rātou ngā taua a ngā tauiwi. 35 Riro ana i ngā wāhine ā rātou tūpāpaku, he mea whakaara ake.

Ko ētahi i whakamamaetia, kīhai anō i whakaae atu kia whakaorangia; kia whiwhi ai rātou ki te whakaarahanga pai atu. 36 Ko ētahi i whakamātau i ngā tāwainga, i ngā whiunga, i ngā mekameka anō hoki, i te whare herehere. 37 I ākina rātou ki te kōhatu, i wāhia ki te kani, i whakawaia, i mate i te patunga a te hoari. I hāereere rātou, he hiako hipi te kākahu, he hiako koati; he hunga rawakore rātou, e tūkinotia ana, e whakatupuria kinotia ana; 38 kīhai nei te ao i pai rātou! Ātiutiu noa ana rātou i waenga tahora, i ngā maunga, i ngā ana, i ngā poka o te whenua.

39 , pai tonu te kōrero ēnei katoa, he mea te whakapono, heoi kīhai rātou i whiwhi ki te mea i whakaaria mai. 40 Kua whakaaroa wawetia hoki e te Atua tētahi mea pai atu tātou, kei tino tika rātou i te mea kāhore nei tātou.

Veja também

Bíblia Online Bíblia Online

Bíblia Online • Versão: 2026-07-05_12-11-46-