Publicidade

Mateus 27

MRI2012

1 Toen het ochtend werd, smeedden alle hoofdpriesters en volksoudsten tezamen een plan om Jezus om te brengen. 2 Ze leidden Hem gebonden weg en leverden Hem over aan Pilatus, de gouverneur. 3 Toen Judas, Jezus' verrader, zag dat Hij was veroordeeld, kreeg hij wroeging en bracht hij de dertig zilverstukken naar de hoofdpriesters en oudsten terug. 4 Hij zei: "Ik heb gezondigd door een onschuldige te verraden." Maar zij zeiden: "Wat gaat ons dat aan? Zie zelf maar." 5 Judas gooide de zilverstukken de tempel in, vertrok en hing zich op. 6 Toen de hoofdpriesters de zilverstukken opraapten, zeiden ze: "Dit mogen we niet bij de tempelschatten bewaren, want het is bloedgeld." 7 Daarom kwamen ze tot het gezamenlijke besluit, met de zilverstukken de akker van de pottenbakker te kopen en als begraafplaats voor vreemdelingen te gebruiken. 8 Daarom wordt die akker tot op vandaag de Bloedakker genoemd. 9 Zo ging in vervulling wat de profeet Jeremia had voorspeld:

"Ze namen de dertig zilverstukken,

de prijs die door de Israëlieten was bepaald,

10 en ze betaalden dat voor de akker van de pottenbakker,

zoals de Heer mij had opgedragen."

11 Inmiddels stond Jezus voor de gouverneur. De gouverneur vroeg Hem: "Bent U de koning van de Joden?" Jezus antwoordde: "U zegt het zelf." 12 De hoofdpriesters en oudsten brachten hun beschuldigingen tegen Hem in, maar Jezus reageerde niet. 13 Toen vroeg Pilatus Hem: "Hoort U niet hoeveel verklaringen tegen U worden afgelegd?" 14 Jezus ging echter op geen enkele beschuldiging in, wat de gouverneur sterk verwonderde. 15 Nu was het de gewoonte van de gouverneur om tijdens het feest een gevangene vrij te laten die door de menigte werd gekozen. 16 Er was dit keer een beruchte gevangene die Jezus Barabbas heette. 17 Daarom vroeg Pilatus aan de mensen die waren samengestroomd: "Wie willen jullie dat ik vrijlaat, Jezus Barabbas of Jezus die de Messias wordt genoemd?" 18 Hij wist namelijk dat ze Hem hadden uitgeleverd uit afgunst. 19 Terwijl hij nog op de rechterstoel zat, liet zijn vrouw hem berichten: "Zorg dat je die rechtvaardige man niets aandoet, want ik ben erg ontdaan door een droom die ik vannacht over Hem heb gehad." 20 Maar de hoofdpriesters en de oudsten overreedden de mensenmassa om Barabbas op te eisen en Jezus te laten ombrengen. 21 De gouverneur vroeg nogmaals: "Wie van de twee willen jullie dat ik vrijlaat?" Ze antwoordden: "Barabbas!" 22 Pilatus vroeg hen: "Wat willen jullie dat ik doe met Jezus die de Messias wordt genoemd?" Iedereen riep: "Hij moet gekruisigd worden!" 23 Pilatus vroeg: "Wat heeft Hij dan misdaan?" Nu riep men nog luider: "Hij moet gekruisigd worden!" 24 Pilatus zag dat hij niets bereikte maar dat er een rel ontstond. Hij liet water halen, waste in het bijzijn van de menigte zijn handen, en zei: "Ik ben niet verantwoordelijk voor de dood van deze man. Zie zelf maar." 25 Het hele volk antwoordde: "Wij en onze kinderen nemen de verantwoordelijkheid voor zijn dood op ons!" 26 Toen liet Pilatus Barabbas vrij, maar Jezus liet hij geselen en vervolgens wegleiden om te worden gekruisigd.

27 De soldaten van de gouverneur leidden Jezus het hoofdkwartier binnen en de gehele legerafdeling kwam om Hem heen staan. 28 Ze trokken Hem de kleren uit en deden Hem een felrode mantel om. 29 Ze vlochten een kroon van doorntakken die ze op zijn hoofd zetten, staken een rieten stok in zijn rechterhand, knielden voor Hem en dreven de spot met Hem door te roepen: "Gegroet, koning van de Joden!" 30 Ze spuwden naar Hem, namen Hem de rietstok af en sloegen ermee op zijn hoofd. 31 Nadat ze zo de spot met Hem hadden gedreven, trokken ze Hem de mantel uit en deden Hem zijn eigen kleren weer aan. Vervolgens leidden ze Hem weg om Hem te kruisigen.

32 Toen ze de stad uitgingen, troffen ze een man uit Cyrene aan, die Simon heette. Hem dwongen ze Jezus' kruis te dragen. 33 Toen ze bij de plaats kwamen die Golgota heet, wat "Schedelplaats" betekent, 34 gaven ze Hem met gal gemengde wijn te drinken. Maar na ervan geproefd te hebben, wilde Hij het niet opdrinken. 35 Nadat ze Hem daar hadden gekruisigd en zijn kleren door middel van verloting hadden verdeeld, 36 gingen ze zitten om Hem te bewaken. 37 Boven zijn hoofd plaatsten ze een bordje met de aanklacht tegen Hem: "Dit is Jezus, de koning van de Joden." 38 Samen met Hem werden ook twee misdadigers gekruisigd, één rechts en één links van Hem. 39 De voorbijgangers beledigden Hem door hoofdschuddend 40 te roepen: "Jij die de tempel verwoest en binnen drie dagen herbouwt! Red Jezelf als Jij de Zoon van God bent; kom van het kruis af!" 41 Precies zo bespotten ook de hoofdpriesters Hem, samen met de Schriftgeleerden en de oudsten. Ze riepen: 42 "Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf redden kan Hij niet. Als Hij de koning van Israël is, laat Hij dan nu van het kruis afkomen; dan zullen we in Hem geloven. 43 Hij vertrouwt op God, laat Die Hem redden als Hij daartoe bereid is. Hij heeft immers gezegd: Ik ben de Zoon van God." 44 Ook de misdadigers die samen met Jezus waren gekruisigd, bespotten Hem op die manier.

45 Vanaf twaalf uur 's middags werd het donker in het hele land, tot drie uur. 46 Rond drie uur 's middags riep Jezus luid: "Eli, Eli, lama sabachtani?" Dat betekent: Mijn God, mijn God, waarom heeft U Mij verlaten? 47 Sommige mensen die daar stonden, hoorden het en zeiden: "Die Man roept Elia." 48 Meteen haalde een van hen haastig een spons, vulde die met zure wijn, stak hem op een stok en gaf Jezus zo te drinken. 49 Maar de anderen zeiden: "Wacht, laten we kijken of Elia Hem komt redden." 50 Nadat Jezus nogmaals luid had geroepen, stierf Hij. 51 Op dat moment scheurde het tempelgordijn van boven naar beneden in tweeën. De aarde beefde, de rotsen spleten, 52 en de graven gingen open. Veel lichamen van overleden mensen die bij God hoorden, kwamen tot leven. 53 Ze kwamen uit hun graven, en nadat Jezus was verrezen, gingen ze de heilige stad in, waar ze door veel mensen zijn gezien. 54 Tijdens de aardbeving waren de centurio en zijn mannen Jezus aan het bewaken. Toen ze zagen wat er gebeurde, werden ze verschrikkelijk bang. Ze zeiden: "Deze man was werkelijk de Zoon van God!" 55 Er waren veel vrouwen die vanop een afstand toekeken. Zij waren Jezus gevolgd vanuit Galilea en hadden Hem gediend. 56 Onder hen bevonden zich Maria van Magdala, Maria de moeder van Jakobus en Jozef, en de moeder van de zonen van Zebedeüs.

57 Het werd avond. Een rijk man uit Arimatea die Jozef heette en een volgeling van Jezus was geworden, 58 ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. Pilatus gaf opdracht het hem te geven. 59 Jozef nam het lichaam, wikkelde het in schoon linnen 60 en legde het in zijn nieuwe graf, dat hij in de rots had laten uithouwen. Hij rolde een grote steen voor de ingang van het graf en vertrok. 61 Maria van Magdala en de andere Maria waren daar; ze zaten tegenover het graf.

62 De volgende dag, dus de dag na Voorbereidingsdag, gingen de hoofdpriesters en de farizeeën gezamenlijk naar Pilatus. 63 Ze zeiden: "Meneer de gouverneur, wij herinneren ons dat die bedrieger, toen Hij nog leefde, heeft gezegd: Na drie dagen zal Ik verrijzen.64 Wilt u daarom het bevel geven om het graf te bewaken tot de derde dag? Anders kunnen zijn leerlingen erheen gaan, het lichaam stelen en tegen het volk zeggen: Hij is uit de dood verrezen.En dan is het laatste bedrog erger dan het eerste." 65 Pilatus zei tegen hen: "Ik geef jullie een wacht soldaten; ga het graf bewaken naar best vermogen." 66 Ze gingen met de wacht soldaten naar het graf om dat te bewaken, en ze verzegelden de steen.

Ka Ārahia a Īhu ki a Pirato

1 Ā, ka tākiri te ata, ka rūnanga ngā tohunga nui katoa me ngā kaumātua o te iwi Īhu kia whakamatea. 2 Ā, ka oti ia te here, ka ārahina atu, tukua ana ki a Pirato, ki te kāwana.

Te Matenga o Hūrā

3 Ā, te kitenga o Hūrā, o te kaituku i a ia, kua whakaaetia ia kia whakamatea, ka puta tōna whakaaro, whakahokia ana e ia ngā hiriwa e toru tekau ki ngā tohunga nui rātou ko ngā kaumātua, 4 ka mea, "Kua hara ahau i tāku tukunga i te toto harakore."

Ka mea rātou, "Hei aha mātou? Māu tēnā e titiro."

5 , makā iho e ia ngā hiriwa ki te whare tapu, ā, puta ana ki waho, haere ana, tārona ana i a ia.

6 , ka tango ngā tohunga nui i ngā hiriwa, ka mea, "E kore e tika kia pangā ēnei ki te takotoranga moni, he utu toto hoki." 7 ka rūnanga rātou, ā, hokona ana ki aua mea te māra a te kaihanga rīhi, hei tanumanga ngā manene. 8 reira hoki i huaina ai taua māra, "Ko te Māra o te Toto" ā mohoa noa nei.

9 Kātahi, ka rite Heremaia poropiti i kōrero ai, i mea ai: "Tangohia ana e rātou ngā hiriwa e toru tekau, te utu te tangata i whakaritea nei ōna utu, i whakaritea nei ngā utu e ētahi o ngā tama a Īharaira, 10 ā, hoatu ana te māra a te kaihanga rīhi; i pērā anō me te Ariki i whakarite ai ki ahau."

Ka Pātaitaitia a Īhu e Pirato

11 , i te tērā a Īhu i te aroaro o te kāwana; ka ui te kāwana ki a ia, ka mea, "Ko koe rānei te Kīngi o ngā Hūrai?"

Ka mea a Īhu ki a ia, "Kua kōrerotia mai e koe." 12 Ā, i te whakapānga a ngā tohunga nui rātou ko ngā kaumātua i tētahi ki a ia, kīhai ia i whakahoki kupu atu.

13 Kātahi, ka mea a Pirato ki a ia, "Kāhore koe e rongo i te tini o ngā mea e kōrerotia nei e rātou mōu?"

14 Heoi, kāhore kia kotahi kupu i whakahokia e ia ki a ia; tino mīharo noa te kāwana.

Ka Tukua a Īhu kia Rīpekatia

15 , ko te kāwana tikanga i taua hākari he tuku i tētahi herehere ki te iwi, i rātou e pai ai. 16 I reira anō i a rātou tētahi herehere ingoa nui, ko Parapa te ingoa. 17 Ā, ka mine rātou, ka mea a Pirato ki a rātou, "Ko wai koutou e pai ai kia tukua e ahau ki a koutou? Ko Parapa, ko Īhu rānei e huaina nei ko te Karaiti?" 18 I mahara hoki ia he hae rātou i tukua ai ia.

19 , i a ia e noho ana i runga i te nohoanga whakawā, ka tono tangata mai tāna wahine ki a ia, ka mea, "Kei ahatia e koe taua tangata tika. He maha hoki ngā mea i moemoeā mai ki ahau ināianei, he mea mōna."

20 Otiia, i whakakīkītia e ngā tohunga nui rātou ko ngā kaumātua te mano, kia īnoia a Parapa, kia whakangaromia a Īhu. 21 , ka whakahoki te kāwana ka mea ki a rātou, "Ko tēhea o te tokorua koutou e pai ai kia tukua e ahau ki a koutou?"

Ka mea rātou, "Ko Parapa!"

22 Ka mea a Pirato ki a rātou, "Me aha oti e ahau a Īhu, e huaina nei ko te Karaiti?"

Ka mea rātou katoa ki a ia, "Rīpekatia!"

23 , ka mea te kāwana, "He aha koia tāna kino i mea ai?" Heoi, nui noa atu rātou hāmama, ka mea, "Rīpekatia ia!"

24 Ā, i te kitenga o Pirato kāhore ia i whai wāhi, engari, ka nui atu te ngangau, ka mau ia ki te wai, ka horoi i ōna ringa i te aroaro o te mano, ka mea, "Kāhore ahau e whai hara i te toto o tēnei tangata tika; koutou tēnā e titiro."

25 , ka whakahoki te iwi katoa, ka mea, "Hei runga ōna toto i a mātou, i ā mātou tamariki."

26 , ka tukua e ia a Parapa ki a rātou; ā, ka oti a Īhu te whiu, ka tukua kia rīpekatia.

Ka Whakatoitoi ngā Hōia ki a Īhu

27 Kātahi ka mauria a Īhu e ngā hōia a te kāwana ki te whare whakawā, ā, whakaminea ana ki a ia te rōpū katoa. 28 , ka tangohia e rātou ōna kākahu, ā, whakakākahuria ana ia ki te kākahu whero. 29 Ā, ka oti tētahi karauna tātarāmoa te whiri, ka pōtaea ki tōna mātenga, me te kākaho ki tōna ringa matau; ā, ka tukua ngā turi ki a ia, ka taunu ki a ia, ka mea, "Tēnā koe, e te Kīngi o ngā Hūrai!" 30 Ā, ka tuwhaina ia e rātou, ā, ka mau rātou ki te kākaho, ka patua ki tōna mātenga. 31 , ka mutu rātou tāwai ki a ia, ka tīhorea atu i runga i a ia te kākahu , whakakākahuria ana ōna ki a ia, ā, ārahina ana ia kia rīpekatia.

Ka Ripekatia a Īhu

32 Ā, i a rātou e haere ana ki waho, ka kitea e rātou he tangata Hairini, ko Haimona te ingoa; meinga ana ia e rātou kia haere tahi me rātou hei amo i tōna rīpeka. 33 Ā, i rātou taenga ki te wāhi e kīia nei ko Korokota, arā, ko "Te Wāhi Angaanga." 34 Ka hoatu e rātou he wāina ki a ia kia inumia, he mea whakananu ki te au; ā, tāna whakamātauranga atu, kīhai i pai ki te inu.

35 Ā, ka oti ia te rīpeka, ka wehewehea ōna kākahu, he mea maka ki te rota; i rite ai te kupu i kōrerotia e te poropiti, "I wehewehea ōku weruweru rātou, i maka rota hoki tōku kākahu." 36 , noho ana rātou ki te tiaki i a ia i reira. 37 Ā, whakanohoia ana e rātou ki runga ake i tōna mātenga te mea i whakawākia ai ia, he mea tuhituhi, "KO ĪHU TĒNEI, KO TE KĪNGI O NGĀ HŪRAI." 38 , tokorua ngā tāhae i rīpekatia ngātahitia me ia, kotahi ki matau, kotahi ki mauī.

39 Ā, ka kohukohu ki a ia te hunga e haere ana reira, me te oioi ō rātou mātenga, 40 ka mea, "Ko koe hei whakahoro i te whare tapu, hei hanga anō i ngā e toru, whakaorangia koe e koe anō! Ki te mea ko te Tama koe a te Atua, heke iho i te rīpeka."

41 I pēnā anō te tāwai a ngā tohunga nui, rātou ko ngā karaipi, ko ngā kaumātua, i mea, 42 "Ko ērā atu i whakaorangia e ia; taea e ia te whakaora i a ia anō. Ko ia te Kīngi o Īharaira, tēnā kia heke iho oti ia i te rīpeka, ka whakapono mātou ki a ia. 43 I whakawhirinaki ia ki te Atua; tērā ia e whakaora āianei, ki te pai ia ki a ia; nāna hoki te , Ko te Tama ahau a te Atua."

44 Me ngā tāhae hoki i rīpekatia tahitia me ia, i pērā anō rāua tāwai ki a ia.

Te Matenga o Īhu

45 , ka pōuri a runga katoa o te whenua, te ono o ngā hāora ā taea noatia te iwa o ngā hāora. 46 Ā, ka tata ki te iwa o ngā hāora, ka karanga a Īhu, he nui te reo, ka mea, "Eri, Eri, rama hapakatani?" arā, "E tōku Atua, e tōku Atua, he aha koe i whakarere ai i ahau?"

47 I te rongonga o ētahi o te hunga e ana i reira, ka mea, "E karanga ana te tangata nei ki a Irāia." 48 , kua rere tētahi o rātou, kua mau ki te hautai, whakakīia ana ki te winika, ā, whakanohoia ana ki runga ki te kākaho, whakainumia ana māna.

49 Ka mea ehinu, "Kāti, kia kite tātou e haere mai rānei a Irāia ki te whakaora i a ia."

50 , ka karanga anō a Īhu, he nui te reo, ā, tuku atu ana i tōna wairua.

51 , ka wāhia te ārai o te whare tapu i waenganui , mai i runga, ā, ki raro. Ka te whenua, pakaru ana ngā kāmaka. 52 Ko ngā urupā tuwhera kau; ā, he maha ngā tinana o te hunga tapu kua moe i ara mai. 53 Ko te putanga ake i ngā urupā i muri iho o tōna aranga mai, haere ana ki roto ki te tapu, ā, he tokomaha te hunga i kite i a rātou.

54 , i te kitenga o te keneturio rātou ko ōna hoa tiaki i a Īhu i te , i ngā mea anō i meatia, nui atu rātou wehi, ka mea, "He pono ko te Tama tēnei a te Atua."

55 Ā, he tokomaha ngā wāhine i reira e mātakitaki ana mai i tawhiti, ngā mea i aru mai i a Īhu i Karirī, i mahi mea māna. 56 I roto i a rātou a Meri Makarini, a Meri whaea o Hēmi rāua ko Hohi, me te whaea hoki o ngā tama a Heperi.

Te Tanumanga o Īhu

57 , ka ahiahi, ka haere mai tētahi tangata taonga nui o Arimatia, ko Hōhepa te ingoa, he ākonga anō ia Īhu. 58 I haere taua tangata ki a Pirato, ā, tonoa ana e ia te tinana o Īhu. , ka mea a Pirato kia hoatu te tinana. 59 , ka tango a Hōhepa i te tinana, ā, takaia ana e ia ki te rīnena , 60 whakatakotoria ana ki tāna urupā hou, i hāua e ia ki roto ki te kāmaka. , whakatakā atu ana e ia tētahi kōhatu nui ki te kūwaha o te urupā, ā, haere ana. 61 I reira anō a Meri Makarini, me tērā Meri, e noho ana i te ritenga atu o te tanumanga.

Te Kaitiaki i te Urupā

62 , i te aonga ake, i te i muri i te Takanga hākari, ka haere ngā tohunga nui me ngā Parihi ki a Pirato, 63 ka mea, "E mara, kei te mahara mātou ki te kōrero a tērā tangata tinihanga i a ia anō e ora ana, Kia taka ngā e toru ka ara ahau.64 reira, whakahaua atu kia tiakina te tanumanga, ā tae noa ki te toru o ngā , kei haere āna ākonga i te , ka tāhae i a ia, ka mea ki te iwi, Kua ara ia i te hunga mate,pēnei kino atu i mua muri ."

65 Ka mea a Pirato ki a rātou, "He kaitiaki anō a koutou; haere, kia puta ō koutou whakaaro kei taea atu ia."

66 , haere ana rātou, hīritia ana te kōhatu, me te whakanoho anō i ngā kaitiaki, kei taea atu te tanumanga.

Veja também

Bíblia Online Bíblia Online

Bíblia Online • Versão: 2026-07-05_12-11-46-