Publicidade

Mateus 24

MRI2012

1 Toen Jezus het tempelterrein verliet, kwamen zijn leerlingen Hem onderweg tegemoet om Hem op de tempelgebouwen te wijzen. 2 Jezus reageerde: "Zien jullie dit alles? Ik verzeker jullie, hier zal geen enkele steen op de andere worden gelaten, het zal allemaal worden verwoest."

3 Toen Jezus op de Olijfberg was gaan zitten, kwamen zijn leerlingen Hem vragen terwijl ze met Hem alleen waren: "Kunt U ons vertellen wanneer dat zal zijn en wat het teken zal zijn van uw komst en van het einde van de wereld?" 4 Jezus antwoordde: "Pas op dat niemand jullie misleidt, 5 want er zullen veel mensen komen die zich mijn naam toe-eigenen en zich voor de Messias uitgeven; zij zullen veel mensen misleiden. 6 Jullie zullen horen van oorlogen en oorlogsdreiging. Maak je dan niet ongerust; die dingen moeten gebeuren, maar het einde is dan nog niet aangebroken. 7 Volken en koninkrijken zullen namelijk tegen elkaar oorlog voeren, en op allerlei plaatsen zullen er hongersnoden en aardbevingen plaatsvinden. 8 Dit alles is het begin van de weeën. 9 Dan zullen jullie worden uitgeleverd om te worden gemarteld en men zal jullie doden. Jullie zullen door alle volken worden gehaat omwille van mijn naam. 10 Dan zullen veel mensen het geloof in Mij opgeven en elkaar verraden en haten. 11 Er zullen veel valse profeten opstaan en ze zullen veel mensen misleiden. 12 En omdat de wetteloosheid dan toeneemt, zal de liefde van veel mensen bekoelen. 13 Maar wie standhoudt tot het einde, zal worden gered. 14 Dit evangelie van Gods koninkrijk zal in de hele wereld worden verkondigd als een getuigenis voor alle volken en dan komt het einde. 15 Dus wanneer jullie de verwoestende gruwel waarover de profeet Daniël sprak, in het heiligdom zien staan lezer, begrijp wat dit betekent! 16 dan moeten de mensen in Judea de bergen invluchten. 17 Wie zich op het dakterras bevindt, moet niet naar beneden gaan om iets op te halen uit zijn huis. 18 En wie zich op het land bevindt, moet niet terugkeren om zijn mantel op te halen. 19 Het zal verschrikkelijk zijn voor vrouwen die in die periode zwanger zijn of borstvoeding geven. 20 Bid dat jullie vlucht niet plaatsvindt in de winter of op de sabbat, 21 want er zal dan groot leed zijn zoals er nog nooit is geweest, vanaf het begin van de wereld tot nu, en zoals er daarna nooit meer zal zijn. 22 Als die periode niet was ingekort, zou geen mens het overleven. In het belang van de uitverkorenen zal die periode echter worden ingekort. 23 Als iemand dan tegen jullie zegt: Kijk, hier is de Messias!, of: Kijk, hier!, geloof het dan niet. 24 Want er zullen valse messiassen en valse profeten opstaan, die tekenen en wonderen doen om zo mogelijk zelfs de uitverkorenen te misleiden. 25 Ik heb jullie gewaarschuwd. 26 Dus als men tegen jullie zegt: Hij is daar in de wildernis, ga er dan niet heen. Of: Hij verstopt zich daarbinnen, geloof het dan niet. 27 Want zoals de bliksem uit het oosten komt en helemaal in het westen wordt waargenomen, zo zal het zijn met de komst van de Mensenzoon. 28 Waar het kadaver ligt, daar verzamelen zich de gieren. 29 Onmiddellijk na het leed van die periode zal de zon verduisteren en de maan geen licht geven, zullen de sterren uit de lucht vallen en de hemellichamen uit koers raken.

30 Dan zal het teken van de Mensenzoon in de hemel verschijnen. Dan zullen alle volken op aarde rouwen en ze zullen de Mensenzoon op de wolken zien komen, met macht en grote hemelse pracht. 31 Hij zal zijn engelen eropuit sturen met luid trompetgeschal en zij zullen zijn uitverkorenen samenbrengen vanuit de vier windstreken, uit alle uithoeken van de wereld. 32 Leer daarom van de volgende vergelijking met de vijgenboom: zodra zijn takken uitlopen en de bladeren verschijnen, weet je dat het bijna zomer is. 33 Op dezelfde manier kunnen jullie, wanneer je dit alles ziet gebeuren, weten dat het voor de deur staat. 34 Ik verzeker jullie, dit volk zal niet vergaan voordat dit alles gebeurt. 35 De hemel en de aarde zullen vergaan, maar mijn woorden zullen nooit vergaan.

36 Maar op welke dag en welk tijdstip dat zal gebeuren weet niemand; zelfs de engelen in de hemel niet, ook de Zoon niet, maar alleen de Vader. 37 Met de komst van de Mensenzoon zal het zijn als in de tijd van Noach. 38 In de tijd voor de zondvloed gingen de mensen door met eten, drinken en trouwen tot de dag dat Noach de ark binnenging. 39 Ze beseften niet wat er ging gebeuren, totdat de zondvloed kwam en iedereen wegvaagde. Zo zal het ook zijn met de komst van de Mensenzoon. 40 Dan zullen twee mannen op het veld bezig zijn, van wie de ene wordt weggenomen en de andere achtergelaten. 41 Van twee vrouwen die dan bij de molen aan het malen zijn, wordt de ene weggenomen en de andere achtergelaten. 42 Wees dus waakzaam, want jullie weten niet op welke dag je Heer komt. 43 Dit moeten jullie weten: als de huiseigenaar zou weten in welk deel van de nacht de dief komt, zou hij waakzaam zijn en niet in zijn huis laten inbreken. 44 Ook jullie moeten dus voorbereid zijn, want de Mensenzoon komt op een onverwacht tijdstip. 45 Wie is de trouwe en verstandige dienaar die door zijn heer over zijn huispersoneel is aangesteld om hun op tijd te eten te geven? 46 De dienaar die door zijn heer bij diens thuiskomst aan het werk wordt aangetroffen, is gezegend. 47 Ik verzeker jullie dat hij hem over al zijn bezittingen zal aanstellen. 48 Maar als de dienaar slecht is en denkt: Mijn heer komt nog lang niet, 49 en hij begint zijn mededienaren te mishandelen en met de dronkenlappen te eten en drinken, 50 dan zal de heer van die dienaar komen op een dag dat hij het niet verwacht en op een tijdstip dat hij niet kent. 51 De heer zal hem zeer zwaar straffen en hij zal terechtkomen bij de hypocrieten, waar zal worden geweend en met de tanden geknarst.

Ka Kōrero a Īhu te Wāwāhinga o te Temepara

1 Ā, ka puta atu a Īhu ki waho o te temepara, ka haere, , ka tae mai āna ākonga ki a ia kia whakakitea ki a ia ngā whare i hangā te temepara. 2 Otirā, ka mea ia ki a rātou, "Kāhore ianei koutou e kite i ēnei mea katoa? He pono tāku e mea nei ki a koutou, e kore e toe ki konei tētahi kōhatu ki runga ake i tētahi kōhatu, engari ka whakahoroa katoatia."

Ngā Raruraru me ngā Whakatoinga

3 Ā, i a ia e noho ana i runga i Maunga Ōriwa, ka haere puku mai ngā ākonga ki a ia, ka mea, "Kōrerotia ki a mātou, ko āhea ēnei mea? He aha te tohu o tōu haerenga mai, o te mutunga hoki o te ao?"

4 , ka whakahoki a Īhu, ka mea ki a rātou, "Kia tūpato kei māmingatia koutou e te tangata. 5 He tokomaha hoki e haere mai i runga i tōku ingoa, e mea, Ko te Karaiti ahau,ā, he tokomaha e whakapōhēhētia. 6 Ā, tērā koutou e rongo ki ngā pakanga, ki ngā hau kōrero pakanga; kia tūpato kei ohorere koutou; te mea kua rite kia puta ēnei mea katoa, taihoa ia te mutunga. 7 E whakatika hoki tētahi iwi ki tētahi iwi, tētahi rangatiratanga ki tētahi rangatiratanga; ā, e puta ngā matekai, ngā mate urutā, me ngā , ki ngā tini wāhi. 8 Otirā, ko te tīmatanga kau ēnei katoa o ngā mamae.

9 "Ko reira koutou tukua ai kia tūkinotia, ā, e whakamatea koutou; ā, e kino hoki ngā iwi katoa ki a koutou, he whakaaro ki tōku ingoa. 10 Ā, he tokomaha e , ā, ka tuku tētahi i tētahi, ka kino anō tētahi ki tētahi. 11 He tokomaha anō ngā poropiti teka e whakatika, ā, he tokomaha e whakapōhēhētia e rātou. 12 Ā, i te kino ka hua, ka mātoke haere te aroha o te tini tāngata. 13 Ko te tangata ia e ū ana, ā, taea noatia te mutunga, ka ora ia. 14 Ā, e kauwhautia tēnei rongopai o te rangatiratanga puta noa i te ao, hei mea whakaatu ki ngā iwi katoa; ā, ko reira puta ai te mutunga."

Te Mea Whakarihariha

15 "Ā, e kite koutou i te mea whakarihariha, i te mea whakangaro, i kōrerotia ai e Raniera poropiti, i a ia e ana i te wāhi tapu." (Kia mātau te kaititiro pukapuka.) 16 Ko reira kia rere te hunga i Hūria ki ngā maunga; 17 ko te tangata i runga i te whare kei heke iho ki te tiki mea i roto i tōna whare. 18 Kauaka anō te tangata i te māra e hoki ki te tiki i ōna kākahu. 19 Auē te mate te hunga e hapū ana, ngā mea hoki e whāngai ana ki te ū, i aua ! 20 Me īnoi koutou kei rokohanga koutou e te whati i te hōtoke, i te hāpati rānei. 21 Kei taua , hoki te whiu nui, kāhore ōna rite mai o te tīmatanga o te ao ā mohoa noa nei, e kore anō e pērā ā mua ake nei. 22 Ā, me i kāhore aua i poroa i waenga, hore he kikokiko e ora; otirā, ka whakaaroa te hunga i whiriwhiria, ā, ka poroa aua .

23 "Ki te mea tētahi ki a koutou i reira, , tēnei a te Karaiti; , Tērā; aua e whakaponohia. 24 E whakatika hoki ngā karaiti teka, me ngā poropiti teka, ā, ka hoatu e rātou ngā tohu nunui, me ngā mea whakamīharo; ā, mehemea e taea, ka māmingatia anō te hunga i whiriwhiria. 25 , kua kōrerotia wawetia nei e ahau ki a koutou.

26 ", ahakoa mea rātou ki a koutou, , kei te koraha ia; aua e haere atu. , kei ngā rūma o roto rawa; aua e whakaponohia. 27 Ka rite hoki ki te uira e puta mai nei i te rāwhiti, ā, hiko tonu atu ki te uru, te haerenga mai o te Tama a te tangata. 28 Ko te wāhi hoki i te tūpāpaku, ko reira huihui ai ngā kāhu."

Te Haerenga Mai o te Tama a te Tangata

29 "Ā muri tonu iho i te whakapāwera i aua ,

Ka whakapōuritia te ,

e kore anō e titi te atarau,

ka taka iho ngā whetū i te rangi,

ā, ka ngāueue ngā mea kaha o ngā rangi.

30 "Ko reira anō puta ai te tohu o te Tama a te tangata i te rangi; ā, ko reira ngā iwi katoa o te whenua tangi ai, ā, e kite rātou i te Tama a te tangata e haere mai ana i runga i ngā kapua o te rangi me te kaha, me te korōria nui. 31 Ā, e tonoa e ia āna anahera me te tētere tangi nui, ā, ka huihuia e rātou āna i whiriwhiri ai i ngā hau e whā, i tētahi pito o te rangi puta noa i tētahi pito."

Te Whakaakoranga te Rākau Piki

32 ", kia ākona koutou e te piki ki tētahi kupu whakarite. I tōna manga e ngāwari ana anō, ā, ka puta ōna rau, ka mōhio koutou ka tata te raumati. 33 Waihoki ko koutou, ina kite i ēnei mea katoa, ka mātau koutou ka tata ia, kei ngā kūwaha tonu. 34 He pono tāku e mea nei ki a koutou, E kore rawa tēnei whakatupuranga e pahemo, kia puta katoa anō ēnei mea. 35 Ko te rangi me te whenua e pahemo, ko āku kupu ia e kore e pahemo."

Kāhore tētahi Tangata e Mōhio hei tēhea , hei tēhea Hāora

36 "Otirā, kāhore tētahi tangata e mōhio ki taua , ki taua hāora, kāhore rawa ngā anahera o te rangi, kāhore te Tama a te tangata, ko tōku Matua anake. 37 Ka rite hoki ki ngā i a Noa te haerenga mai o te Tama a te tangata. 38 Ka rite hoki ki rātou i ngā i mua atu o te waipuke; e kai ana, e inu ana, e mārena ana, e hoatu ana kia mārenatia, ā tae noa ki te i tomo ai a Noa ki roto ki te āka, 39 ā, kāhore rātou i mōhio, ā, pakaru noa te waipuke, ā, kāhakina ana rātou katoa; e pērā anō te haerenga mai o te Tama a te tangata. 40 I taua tokorua ki te māra; kotahi e tangohia, kotahi e waiho. 41 Tokorua wāhine e huri ana i te mira; kotahi e tangohia, kotahi e waiho.

42 "Kia mataara rāpea; e kore hoki koutou e mōhio ki te hāora e puta mai ai koutou Ariki. 43 Kia mōhio ki tēnei, me i mātau te tangata o te whare ki te mataaratanga e puta ai te tāhae, kua tautīaki ia, ā, kāhore i tukua tōna whare kia pokaia. 44 , kia mataara hoki koutou; te mea ka puta mai te Tama a te tangata i te hāora e kore ai koutou e mahara."

Te Pononga Pono, Ponokore Rānei

45 "Ko wai te pononga pono, mahara, i meinga e tōna ariki hei rangatira āna tāngata, hei hoatu i te kai rātou i te e tika ai? 46 Ka koa taua pononga ki te rokohanga e tōna ariki, ina haere mai, e pērā ana. 47 He pono tāku e mea nei ki a koutou, Ka meinga ia hei rangatira ōna taonga katoa. 48 Otirā, ki te mea taua pononga kino i roto i tōna ngākau, Ka roa te putanga mai o tōku ariki,49 ā, ka anga, ka patu i ōna hoa pononga, ka kai, ka inu tahi me te hunga haurangi. 50 E tae mai te ariki o taua pononga i te e kore ai ia e mahara, i te hāora e kore ai ia e mōhio. 51 Ka hātepea pūtia ia, ka meinga he wāhi mōna i roto i te hunga tinihanga; ko te wāhi tērā o te tangi, o te tetēā o ngā niho."

Veja também

Bíblia Online Bíblia Online

Bíblia Online • Versão: 2026-07-05_12-11-46-