Publicidade

Mateus 13

MRI2012

1 Diezelfde dag verliet Jezus het huis en ging Hij bij het meer zitten. 2 Er verzamelde zich zo’n grote mensenmassa om Hem heen, dat Hij in een boot plaatsnam, terwijl alle mensen op de oever bleven staan. 3 Hij vertelde hun van alles in de vorm van parabels. Hij zei: "Er was eens een zaaier die ging zaaien. 4 Tijdens het zaaien vielen er wat zaadjes langs het pad en de vogels kwamen ze oppikken. 5 Andere zaadjes vielen in ondiepe laagjes aarde op rotsgrond. De plantjes schoten meteen op, omdat de aarde ondiep was. 6 Maar toen de zon hoog kwam te staan, verschroeiden de plantjes; en omdat ze geen wortels hadden, gingen ze dood. 7 Nog andere zaadjes vielen tussen het onkruid en het onkruid kwam op en verstikte hen. 8 Weer andere zaadjes vielen in goede aarde en leverden een goede oogst op, wel honderd-, zestig- of dertigmaal zoveel als er was gezaaid. 9 Als je oren hebt, luister dan!" 10 Later kwamen Jezus' leerlingen Hem vragen: "Waarom spreekt U de mensen toe in de vorm van parabels?" 11 Hij antwoordde: "Omdat het jullie is gegeven de geheimen van Gods rijk te kennen, maar hun is dat niet gegeven. 12 Want aan wie heeft, zal nog meer worden gegeven, zodat hij overvloed zal hebben. Maar van wie niets heeft, zal zelfs hetgeen hij heeft worden afgenomen. 13 Daarom spreek Ik hen toe in parabels, zodat ze wel zien maar niet begrijpen, en wel horen maar niet verstaan. 14 Voor hen is de volgende profetie van Jesaja in vervulling gegaan:

Jullie zullen wel horen maar niet verstaan,

en wel zien maar niet begrijpen.

15 Want het hart van dit volk is gevoelloos geworden,

hun oren kunnen nauwelijks horen

en hun ogen hebben ze gesloten.

Anders zouden ze met hun ogen kunnen zien

en met hun oren kunnen horen

en met hun hart verstaan

en zich bekeren

en dan zou Ik hen gezond maken.

16 Maar omdat jullie ogen zien en jullie oren horen, zijn ze gezegend. 17 Want Ik verzeker jullie: veel profeten en rechtvaardige mensen wilden graag zien wat jullie zien, maar ze hebben het niet gezien. En ze wilden graag horen wat jullie horen, maar ze hebben het niet gehoord. 18 Luister dus naar de uitleg van de parabel van de zaaier: 19 Telkens wanneer iemand de boodschap van het koninkrijk hoort en deze niet begrijpt, komt de duivel weggrissen wat in het hart van die persoon was gezaaid. Dit is wat langs het pad is gezaaid. 20 Wat op de rotsgrond is gezaaid, is als de persoon die de boodschap hoort en haar meteen vol vreugde aanvaardt. 21 Maar hij is oppervlakkig en het raakt niet diep in hem geworteld. Zodra er verdrukking of vervolging komt omwille van het evangelie, komt hij ten val. 22 En wat tussen het onkruid is gezaaid, is als de persoon die de boodschap hoort, maar de zorgen van dit leven en de misleiding van de rijkdom verstikken de boodschap, zodat deze niets oplevert. 23 Wat in goede aarde is gezaaid, is als de persoon die het evangelie hoort, het begrijpt en vruchten voortbrengt; in het ene geval honderd-, in het andere zestig- en in nog een ander geval dertigmaal zoveel als er was gezaaid."

24 Jezus vertelde hun nog een parabel: "Het is met Gods rijk als met iemand die goed zaad in zijn akker zaaide. 25 Maar terwijl iedereen sliep, kwam zijn vijand schadelijk onkruid tussen het graan zaaien en ging hij weer weg. 26 Toen de plantjes opkwamen en aren vormden, verscheen ook het schadelijk onkruid. 27 De knechten van de landeigenaar vroegen hem: Meneer, u had toch goed zaad in uw akker gezaaid? Waar komt dat schadelijk onkruid dan vandaan?28 Hij antwoordde: Dat heeft een vijand gedaan.De knechten vroegen hem: Wilt u dat we gaan wieden?29 Maar hij antwoordde: Nee, want als jullie het onkruid zouden wieden, zouden jullie ook de wortels van het graan lostrekken. 30 Laat het allemaal samen opgroeien tot de oogsttijd. Dan zal ik tegen de maaiers zeggen: Breng eerst het onkruid bijeen en maak er bundels van om te verbranden, en oogst dan het graan en breng het naar mijn schuur."

31 Jezus vertelde hun nog een parabel: "Het is met Gods rijk als met een mosterdzaadje dat iemand in zijn akker zaaide. 32 Het is kleiner dan alle andere zaden, maar wanneer het uitgroeit, is het de grootste van de moestuinplanten en wordt het een boom, zodat de vogels in zijn takken komen nestelen."

33 Hij vertelde hun nog een parabel: "Het is met Gods rijk als met desem die door een vrouw vermengd werd met drie porties meel, totdat het deeg volledig doordesemd was." 34 Jezus vertelde dat alles aan de mensenmassa in de vorm van parabels; Hij vertelde hun niets zonder parabels te gebruiken. 35 Zo gingen de volgende woorden van de profeet Jesaja in vervulling: "Ik open mijn mond om in parabels te spreken, ik maak bekend wat vanaf de schepping van de wereld verborgen is geweest."

36 Nadat Hij afscheid had genomen van de mensenmassa, ging Hij naar huis. Zijn leerlingen kwamen bij Hem en vroegen: "Wilt U de parabel van het schadelijk onkruid op de akker aan ons uitleggen?" 37 Jezus antwoordde: "De zaaier van het goede zaad is de Mensenzoon. 38 De akker is de wereld en het goede zaad zijn de onderdanen van het koninkrijk. Het schadelijk onkruid, dat zijn de onderdanen van de duivel. 39 De vijand die hen zaaide is de duivel, de oogst is het einde van de wereld en zij die de oogst binnenhalen zijn engelen. 40 En zoals het schadelijk onkruid bijeengebracht en verbrand wordt, zo zal het ook zijn bij het einde van de wereld. 41 De Mensenzoon zal zijn engelen uitzenden en zij zullen alles uit zijn koninkrijk dat tot zonde aanzet en ieder die het slechte doet bijeenbrengen. 42 Die zullen in de brandende oven worden gegooid en daar zal worden geweend en met de tanden geknarst. 43 Dan zullen de rechtvaardigen in het koninkrijk van hun Vader stralen als de zon. Als je oren hebt, luister dan!

44 Het is met Gods rijk als met een schat die in een akker is verborgen, en die door iemand wordt gevonden en weer toegedekt. Hij is er zo blij over dat hij weggaat, alles verkoopt wat hij heeft en die akker koopt.

45 Het is met Gods rijk ook als met een zakenman die op zoek was naar mooie parels. 46 Hij vond een parel die zo kostbaar was, dat hij al zijn bezittingen verkocht om die parel te kopen.

47 Het is met Gods rijk ook als met een lang visnet dat in het meer werd gegooid en waarin allerlei vissen werden gevangen. 48 Toen het vol was, werd het aan wal getrokken en men ging zitten om de goede vissen in emmers te doen en de slechte weg te gooien. 49 Zo zal het zijn bij het einde van de wereld. De engelen zullen eropuit gaan en de slechte mensen scheiden van de rechtvaardige. 50 Ze zullen de slechte mensen in de brandende oven gooien en daar zal worden geweend en met de tanden geknarst. 51 Hebben jullie dit alles begrepen?" De leerlingen antwoordden: "Ja." 52 Jezus zei tegen hen: "Daarom is iedere Schriftgeleerde die een leerling in Gods rijk is geworden, als een huiseigenaar die uit zijn voorraadkamer nieuwe en oude dingen tevoorschijn haalt."

53 Toen Jezus deze parabels had afgerond, vertrok Hij daarvandaan. 54 Hij kwam in zijn thuisstad en onderwees de mensen daar in hun synagoge, zodat ze diep onder de indruk waren en vroegen: "Vanwaar haalt Hij die wijsheid en die wonderen? 55 Is dit niet de zoon van de bouwer? Heet zijn moeder niet Maria en zijn broers Jakobus, Jozef, Simon en Judas? 56 En wonen niet al zijn zussen bij ons? Waar haalt Hij dat alles dan vandaan?" 57 Ze ergerden zich aan Hem, maar Jezus zei tegen hen: "Het is alleen in zijn thuisstad en in zijn eigen huis dat een profeet geen eer ontvangt." 58 En wegens hun ongeloof deed Hij daar slechts weinig wonderen.

Te Kupu Whakarite te Kairui

1 I taua i haere atu a Īhu i te whare, ka noho ki te taha o te moana. 2 , he rahi te hui i huihui ki a ia, ā, ka eke ia ki te kaipuke noho ai; i te takutai anō te hui katoa e ana. 3 Ā, he maha āna kōrero ki a rātou, he mea whakarite; i mea ia:

", i haere te kairui ki te rui. 4 Ā, i a ia e rui ana, ka ngahoro ētahi o ngā purapura ki te taha o te ara, ā, ko te rerenga mai o ngā manu, kainga ake. 5 Ko ētahi i ngahoro ki ngā wāhi kāmaka, ki ngā wāhi kīhai i nui te oneone; , pihi tonu ake, kāhore hoki i hōhonu te oneone. 6 Ā, te whitinga o te , ngaua iho; ā, te mea kāhore he pūtake, memenge noa iho. 7 Ko ētahi i ngahoro ki roto ki ngā tātarāmoa; ā, te tupunga ake o ngā tātarāmoa, kōwaowaotia ana ngā purapura; 8 Ko ētahi i ngahoro ki te oneone pai, ā, ka hua, ētahi kotahi rau, ētahi e ono tekau, ētahi e toru tekau.

9 "Ki te whai taringa tētahi hei whakarongo, kia rongo ia."

Te Take o ngā Kupu Whakarite

10 Ā, ka haere ngā ākonga, ka mea ki a ia, "He aha koe i kōrero whakarite tonu ai ki a rātou?"

11 , ka whakahoki ia ki a rātou, ka mea, "te mea kua hoatu ki a koutou te mātauranga ki ngā mea ngaro o te rangatiratanga o te rangi, ki a rātou ia kāhore i hoatu. 12 Ki te whai mea hoki tētahi, ka hoatu anō ki a ia, ā, ka maha atu ana. Ki te kāhore ia he mea a tētahi, ka tangohia i a ia āna ake. 13 reira ēnei kupu whakarite āku ki a rātou; te mea kite rawa rātou, ā, kāhore e kite; rongo rawa, kāhore hoki e mātau.14 Ā, ka rite i a rātou te poropititanga a Ihāia, e mea nei:

Rongo noa koutou,

kāhore e mātau;

titiro noa koutou,

kāhore e kite.

15 Kua mātotoru hoki te ngākau o tēnei iwi,

kua pūhoi ngā taringa ki te whakarongo,

ko ngā kanohi kua oti te whakamoe e rātou;

kei kite ō rātou kanohi,

kei rongo ngā taringa,

ā, ka mātau te ngākau, , ka tahuri rātou,

ā, ka whakaorangia e ahau.

16 Ka koa ia ō koutou kanohi, te mea ka kite; ō koutou taringa hoki, te mea ka rongo. 17 He pono hoki tāku e mea nei ki a koutou, he tokomaha ngā poropiti me ngā tāngata tika i hiahia kia kite i ngā mea e kite nei koutou, ā, kāhore i kite; kia rongo hoki i ngā mea e rongo nei koutou, ā, kāhore i rongo."

Te Take o ngā Kupu Whakarite

18 ", whakarongo ki te kupu i whakaritea ki te kairui. 19 Ki te rongo tētahi ki te kupu o te rangatiratanga, ā, e kore e mātau, , ka haere mai te wairua kino, ka kapo i te mea ka oti te rui ki tōna ngākau. Ko te tangata tēnei i ngā purapura i te taha o te ara. 20 Ko te tangata ia i ngā purapura i ngā wāhi kōhatu, ko te tangata i rongo ki te kupu, ā, hohoro tonu te tango, hari tonu; 21 Otiia, kāhore ōna pakiaka i roto i a ia, e mau noa ana te poto, ā, te pānga o te whakapāwera, o te whakatoi rānei, te kupu, tonu iho. 22 Ko te tangata i ngā purapura i waenga tātarāmoa, ko te tangata tēnā i rongo ki te kupu; ā, ko te whakaaronga ki tēnei ao, me te hangarau o ngā taonga, hei whakakōwaowao i te kupu, ā, kore ake he hua. 23 Ko te tangata ia i ngā purapura i te oneone pai, ko te tangata e rongo ana ki te kupu, ā, e mātau ana; ā, ka whai hua, ea ake, tētahi kotahi rau, tētahi e ono tekau, tētahi e toru tekau."

Te Kupu Whakarite ngā Taru Kino

24 Tēnei ake anō tētahi kupu whakarite i makā e ia ki a rātou, i mea ia: "Ka rite te rangatiratanga o te rangi ki tētahi tangata i rui i te purapura pai ki tāna māra. 25 Ā, i ngā tāngata e moe ana, ka haere mai tōna hoariri, ruia iho he taru kino ki waenga wīti, ā, haere ana. 26 Ā, ka pihi ake te rau, ka hua, kātahi ka kitea hoki ngā taru. 27 , ka haere mai ngā pononga a taua rangatira, ka mea ki a ia, E mara, kīhai ianei koe i rui i te purapura pai ki tāu māra? hea ōna taru?

28 ", ka atu ia ki a rātou, te hoariri tēnei i mea.Kātahi, ka mea ngā pononga ki a ia, E pai rānei koe kia haere mātou ki te whakawhāiti i aua taru?29 Ā, ka mea ia, Kāhore; kei hūtia ngātahitia te wīti ina whakawhāititia ngā taru. 30 Tukua kia tupu tahi, ā taea noatia te kotinga; ā, i te o te kotinga ka mea ahau ki ngā kaikokoti, Mātua whakawhāiti i ngā taru, ka paihere ai hei paihere kia tahuna; ko te wīti ia me kohi ki tōku whare wīti."

Te Kupu Whakarite te Pua Nanī

31 Tēnei ake anō tētahi kupu whakarite i makā e ia ki a rātou, i mea ia: "He rite te rangatiratanga o te rangi ki te pua nanī, i kawea e te tangata, i ruia ki tāna māra. 32 He iti rawa ia i ngā purapura katoa, ā, ka tupu, ko ia te nui rawa o ngā otaota, ā, whakarākau ana, ka rere mai ngā manu o te rangi, ka noho ki ōna manga."

Te Kupu Whakarite te Rēwena

33 Tēnei ake anō tētahi kupu whakarite i kōrerotia e ia ki a rātou: "He rite te rangatiratanga o te rangi ki te rēwena i tangohia e tētahi wahine, ā, whaongia ana ki roto ki ngā mēhua parāoa e toru, ka rēwenatia katoatia."

Te Mahinga a Īhu ki ngā Kupu Whakarite

34 Ko ēnei mea katoa i kōrerotia e Īhu ki te mano, he mea whakarite; ā, heoi anō āna kupu ki a rātou he kupu whakarite anake. 35 I rite ai te poropiti i kōrero ai, i mea ai:

"E puaki i tōku māngai ngā kupu whakarite;

ka kōrerotia e ahau ngā mea

i ngaro te tīmatanga anō o te ao."

Ka Whakamārama a Īhu i te Kupu Whakarite o ngā Taru Kino

36 Kātahi ka mahue i a Īhu te mano, ka tomo ia ki te whare. , ka haere mai āna ākonga ki a ia, ka mea, "Whakaaturia mai ki a mātou te kupu i whakaritea ki ngā taru i te māra."

37 , ka whakahoki ia, ka mea ki a rātou, "Ko te kairui o te purapura pai ko te Tama a te tangata. 38 Ko te māra ko te ao; ko te purapura pai ko ngā tamariki o te rangatiratanga; ngā taru ko ngā tamariki a te kino; 39 ko te hoariri i ruia ai ko te rēwera; te kotinga ko te mutunga o te ao; ngā kaikokoti ko ngā anahera.

40 ", e huihuia ana ngā taru, e tahuna ana ki te ahi; ka pērā anō i te mutunga o tēnei ao. 41 Ka tono te Tama a te tangata i āna anahera ki te huihui i roto i tōna rangatiratanga i ngā mea katoa e tūtuki ai te waewae, i ngā kaimahi anō i te kino; 42 ā, ka makā e rātou ki roto ki te oumu ahi; ko te wāhi tērā o te tangi me te tetēā o ngā niho. 43 Ko reira te hunga tika whiti ai me te i te rangatiratanga o rātou Matua. Ki te whai taringa tētahi hei whakarongo, kia rongo ia."

Te Kupu Whakarite o te Taonga Huna

44 "He rite anō te rangatiratanga o te rangi ki te taonga i hunā ki te māra; te kitenga a tētahi tangata, , ka hunā e ia, ā haere ana, he koa hoki nōna, hokona ana āna mea katoa, ā, hokona ana mai taua māra māna."

Te Kupu Whakarite o te Peara

45 "He rite anō te rangatiratanga o te rangi ki te kaihokohoko, e rapu ana i ngā peara papai. 46 Ā, tōna kitenga i tētahi peara utu nui, haere ana, hokona ana āna mea katoa, ā, hokona ana mai taua peara māna."

Te Kupu Whakarite o te Kupenga

47 "He rite anō te rangatiratanga o te rangi ki te kupenga i tukua ki te moana, ā, haoa ana he ika o ia āhua, o ia āhua. 48 Ā, ka , ka kūmea ki uta, ā, noho ana, kohikohia ana ngā ika papai ki ngā kete, ko ngā mea kikino ia i ākiritia ki waho. 49 Ka pērā anō a te mutunga o te ao. Ka haere ngā anahera, ka wehewehe i te hunga kino i roto i te hunga tika, 50 ā, ka maka i a rātou ki roto ki te oumu ahi; ko te wāhi tērā o te tangi, o te tetēā o ngā niho."

He Tikanga Hou, he Tikanga Tawhito

51 Ka mea a Īhu ki a rātou, "Kua mātau rānei koutou ki ēnei mea katoa?"

Ka mea rātou ki a ia, "Āe, e te Ariki."

52 , ka mea ia ki a rātou, "Koia te karaipi, i ākona ki te rangatiratanga o te rangi, i rite ai ki tētahi rangatira whare e whakaputa mai ana i ngā mea hou, i ngā mea tawhito, i roto i tāna toa."

Te Whakahāweatanga i a Īhu i Nahareta

53 Ā, ka mutu ēnei kupu whakarite a Īhu, ka haere atu ia i reira. 54 Ā, ka tae ki tōna kāinga tupu ka ako i a rātou i roto i rātou whare karakia, ā, mīharo noa rātou, ka mea, "hea ēnei whakaaro nui me ngā merekara a tēnei tangata? 55 Ehara ianei tēnei i te tama a te kāmura? He teka ianei ko Meri te ingoa o tōna whaea? Ko Hēmi hoki rātou ko Hōhepa, ko Haimona, ko Hūrā, ōna tēina? 56 Me ōna tuāhine, kāhore ianei rātou katoa i a tātou nei? hea ēnei mea katoa a tēnei tangata?" 57 Heoi, ka rātou ki a ia.

Otirā, ka mea a Īhu ki a rātou, "Kei tōna kāinga, kei tōna whare anake te poropiti hapa ai i te hōnore." 58 Ā, kīhai i maha ngā merekara i meatia e ia ki reira, i rātou whakapono kore hoki.

Veja também

Bíblia Online Bíblia Online

Bíblia Online • Versão: 2026-07-05_12-11-46-