Publicidade

Mateus 21

MRI2012

1 Toen ze Jeruzalem naderden en bij Betfagé kwamen, bij de Olijfberg, stuurde Jezus twee van zijn leerlingen vooruit. 2 Hij zei tegen hen: "Ga het dorp in dat voor jullie ligt. Dan zullen jullie meteen een vastgebonden ezelin zien, met een veulen. Maak ze los en breng ze hier. 3 Als iemand bezwaar maakt, zeg dan: De Heer heeft ze nodig; Hij zal ze meteen terugsturen." 4 Zo gebeurde wat de profeet had voorspeld:

5 "Vertel de dochter van Sion:

Let op, je koning komt naar je toe,

nederig en rijdend op een ezel,

op het veulen van een ezelin."

6 De leerlingen vertrokken en deden wat Jezus hun had opgedragen. 7 Toen ze de ezelin met het veulen hadden gebracht en hun mantels erop hadden gelegd, ging Jezus daarop zitten. 8 Een groot aantal mensen legden hun mantels op de weg, anderen sneden takken van de bomen en spreidden die uit op de weg. 9 De vele mensen die voor en achter Jezus wandelden, riepen:

"Hosanna voor de zoon van David!

Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heer!

Hosanna aan de Allerhoogste!"

10 Toen Jezus Jeruzalem binnenging, raakte de hele stad in opschudding over de vraag: "Wie is dit?" 11 De mensen bij Jezus zeiden: "Dit is Jezus, de profeet uit Nazaret in Galilea."

12 Jezus ging het tempelterrein op, joeg iedereen weg die daar aan het kopen of verkopen was, gooide de tafels van de geldwisselaars en de zitbanken van de duivenverkopers omver 13 en zei tegen hen: "In de Schriften staat: Mijn huis zal een gebedshuis worden genoemd, maar jullie maken er een rovershol van." 14 Op het tempelterrein kwamen er mensen naar Hem toe die blind of verlamd waren en Hij genas hen. 15 Maar toen de hoofdpriesters en de Schriftgeleerden de verbazingwekkende dingen zagen die Hij deed en toen ze hoorden dat de kinderen op het tempelterrein uitriepen: "Hosanna voor de zoon van David!", waren ze verontwaardigd. 16 Ze vroegen Jezus: "Hoort U wat ze roepen?" Jezus zei tegen hen: "Jazeker. Hebben jullie nooit gelezen: U heeft zich laten bejubelen door kleine kinderen en zuigelingen?" 17 Hij liet hen achter en ging de stad uit, naar Betanië. Daar overnachtte Hij.

18 's Morgens vroeg, toen ze naar Jeruzalem teruggingen, kreeg Jezus honger. 19 Hij zag naast de weg een vijgenboom, ging ernaartoe en stelde vast dat er niets anders aan zat dan bladeren. Hij zei tegen de boom: "Van jou mogen nooit meer vruchten worden geplukt!" Onmiddellijk verdorde de boom. 20 Zijn leerlingen zagen het en vroegen verwonderd: "Hoe kan het dat die vijgenboom onmiddellijk is verdord?" 21 Jezus zei tegen hen: "Ik verzeker jullie, als jullie geloof hebben en niet twijfelen, zullen jullie niet alleen doen wat Ik met de vijgenboom heb gedaan, maar zelfs als jullie dan tegen deze berg zeggen: kom van je plaats en stort jezelf in zee, zal het gebeuren. 22 En alles wat jullie vol vertrouwen vragen in het gebed, zullen jullie ontvangen."

23 Jezus ging het tempelterrein op. Terwijl Hij aan het onderwijzen was, kwamen de hoofdpriesters en de volksoudsten naar Hem toe. Ze vroegen: "Op grond van welke bevoegdheid doet U deze dingen? En wie heeft U die bevoegdheid gegeven?" 24 Jezus antwoordde: "Ik zal jullie ook één vraag stellen, en als jullie Mij antwoord geven, zal Ik jullie vertellen op grond van welke bevoegdheid Ik deze dingen doe. 25 De doop van Johannes, vanwaar kwam die? Van God of van de mensen?" Ze overlegden met elkaar: "Als we zeggen: van God, zal Hij zeggen: Waarom geloven jullie hem dan niet? 26 Maar als we zeggen: van de mensen ... We zijn bang voor de menigte, want iedereen beschouwt Johannes als een profeet." 27 Daarom antwoordden ze: "Wij weten het niet." Toen zei Hij tegen hen: "Dan vertel Ik jullie ook niet op grond van welke bevoegdheid Ik deze dingen doe.

28 Wat denken jullie? Een man had twee zonen. Hij ging naar de eerste toe en zei: Mijn zoon, ga vandaag in de wijngaard werken.29 Hij antwoordde: Ik wil niet.Maar later kreeg hij wroeging en ging hij toch. 30 Toen ging de vader naar de andere zoon en zei hetzelfde. Die zoon antwoordde: Ja, vader, maar hij ging niet. 31 Wie van de twee deed wat de vader wilde?" Ze zeiden: "De eerste." Jezus zei tegen hen: "Ik verzeker jullie dat de belastinginners en de prostituees eerder dan jullie Gods koninkrijk zullen binnengaan. 32 Want Johannes kwam naar jullie toe en toonde jullie de juiste weg, maar jullie geloofden hem niet, terwijl de belastinginners en prostituees hem wel geloofden. En zelfs toen jullie dat zagen, kwamen jullie niet tot inkeer en geloofden jullie hem niet.

33 Luister ook naar deze parabel: Er was iemand, een landeigenaar, die een wijngaard aanplantte, een omheining plaatste, een perskuil groef, een wachttoren bouwde, de wijngaard aan wijnbouwers verhuurde en op reis ging. 34 Toen de oogsttijd was aangebroken, stuurde hij zijn knechten naar de wijnbouwers om zijn opbrengst op te halen. 35 Maar de wijnbouwers grepen zijn knechten; ze sloegen de ene in elkaar, doodden een andere en stenigden nog een andere. 36 Vervolgens stuurde hij andere knechten, meer dan de eerste keer, en die behandelden ze op dezelfde wijze. 37 Uiteindelijk stuurde hij zijn zoon naar hen toe. Hij zei: Mijn zoon zullen ze wel respecteren.38 Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze tegen elkaar: Dit is de erfgenaam. Kom, laten we hem doden en beslag leggen op zijn erfenis.39 Ze grepen hem, gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem. 40 Wat zou de eigenaar van de wijngaard dus met die wijnbouwers doen, wanneer hij komt?" 41 Ze zeiden tegen Hem: "Hij zal die slechte mensen ombrengen en de wijngaard aan andere wijnbouwers verhuren. En die zullen hem steeds op tijd de opbrengst uitbetalen." 42 Jezus zei tegen hen: "Hebben jullie nooit het volgende in de Schriften gelezen:

De steen die de bouwers hebben afgekeurd,

is de hoeksteen geworden;

de Heer heeft hiervoor gezorgd,

het is verbazingwekkend om te zien?

43 Daarom vertel Ik jullie: Gods koninkrijk zal van jullie worden afgenomen en aan een volk worden gegeven dat de vruchten ervan oplevert. 44 Wie over deze steen valt, raakt verbrijzeld, en degene op wie hij valt, wordt verpletterd." 45 Toen de hoofdpriesters en farizeeën Jezus' parabels hoorden, begrepen ze dat Hij over hen sprak. 46 Ze wilden Jezus oppakken, maar waren bang van het volk, want dat beschouwde Hem als een profeet.

Te Tomokanga Manahau ki Hiruhārama

1 Ā, ka tata rātou ki Hiruhārama, ka tae ki Petapaki, ki Maunga Ōriwa, ka tonoa atu e Īhu ngā ākonga tokorua, 2 ka mea ia ki a rāua "Haere ki te kāinga e anga mai ana ki a kōrua; , ka kite tonu kōrua i tētahi kāihe e here ana me tāna kūao; wetekia, ka ārahi mai ki ahau. 3 Ā, ki te whai kupu tētahi tangata ki a kōrua, atu, E mea ana te Ariki ki a rāua māna; , ka tukua tonutia mai rāua e ia."

4 I meinga tēnei katoa hei whakarite te kupu a te poropiti, i mea ai:

5 "Mea atu ki te tamāhine o Hiona,

, ko tōu kīngi e haere mai ki a koe,

he ngākau māhaki tōna, e noho ana i runga i te kāihe,

i te kūao hoki, i te tama a te kāihe."

6 , haere ana ngā ākonga, meatia ana Īhu i mea ai ki a rāua: 7 ārahina mai ana te kāihe me te kūao, whārikitia ana ki runga ō rāua kākahu, ā, noho ana ia ki runga. 8 Ā, he nui rawa te hui ki te whāriki i ō rātou kākahu ki te ara; ko ētahi i tapahi manga mai i ngā rākau, ā, whārikitia ana ki te ara. 9 Ko ngā mano i haere i mua, me te hunga i haere i muri, kei te karanga, kei te mea,

"Ohana ki te Tama a Rāwiri!

Ka whakapaingia tēnei e haere mai nei i runga i te ingoa o te Ariki!

Ohana i runga rawa!"

10 Ā, ka uru ia ki Hiruhārama, ka oho katoa te , ka mea, "Ko wai tēnei?"

11 Ka mea te mano, "Ko Īhu tēnei, ko te poropiti o Nahareta o Karirī."

Ka Haere a Īhu ki te Temepara

12 Ā, ka tomo a Īhu ki te temepara o te Atua, , peia katoatia ana e ia te hunga e hoko mai ana, e hoko atu ana i roto i te temepara, turakina ake ngā tēpu a ngā kaiwhakawhitiwhiti moni, me ngā nohoanga o te hunga hoko kūkupa. 13 Ā, ka mea ki a rātou, "Kua oti te tuhituhi, Ka kīia tōku whare he whare īnoi; heoi, kua oti nei te mea e koutou hei ana ngā kaipāhua."

14 Ā, i haere mai ki a ia ki roto ki te temepara ngā matapō me ngā kopa, ā, whakaorangia ake rātou e ia. 15 te kitenga ia o ngā tohunga nui, o ngā karaipi i ngā mea whakamīharo i meatia e ia, i ngā tamariki hoki e karanga ana i te temepara, e mea ana, "Ohana ki te Tama a Rāwiri"; ka riri rātou. 16 Ka mea ki a ia, "E rongo ana koe ki ēnei e mea nei?"

Ka mea a Īhu ki a rātou, "Āe ; kīanō koutou i kite noa, Pūmau tonu i a koe te whakamoemiti a te waha o ngā kōhungahunga, o ngā mea ngote ū?"

17 Ā, ka mahue rātou i a ia, haere ana ia ki waho o te , ki Petani, ā, moe ana i reira.

Ka Kanga a Īhu i tētahi Rākau Piki

18 , i te ata, i a ia e hoki ana ki te , ka hiakai ia. 19 Ā, i tōna kitenga i tētahi piki i te taha o te ara, ka haere ia ki taua rākau, heoi, kīhai i kitea tētahi mea i runga, he rau anake. Ka mea ia ki te rākau, "Kei whai hua koe ā ake ake!" Ā, maroke tonu ake te piki.

20 Ā, te kitenga o ngā ākonga, ka mīharo, ka mea, "I pēheatia i hohoro ai te maroke o te piki nei?"

21 , ka whakahoki a Īhu, ka mea ki a rātou, "He pono tāku e mea nei ki a koutou, me he whakapono koutou, kāhore i ruarua te whakaaro, e kore e meatia e koutou ko tēnei anake i meatia nei ki te piki, engari, ahakoa mea noa koutou ki tēnei maunga, Kia rangā atu koe, kia whakatakā ki te moana; ka meatia. 22 Ko ngā mea katoa hoki e tono ai koutou ina īnoi, ki te whakapono, ka riro i a koutou."

Te Take e ana ki te Mana o Īhu

23 Ā, ka tae ia ki roto ki te temepara, ka haere mai ngā tohunga nui me ngā kaumātua o te iwi, i a ia anō e ako ana, ā, ka mea, "Tēnā koa te mana i meatia ai ēnei mea e koe? wai hoatu tēnei mana ki a koe?"

24 , ka whakahoki a Īhu, ka mea ki a rātou, "Māku e ui ki a koutou kia kotahi kupu, ki te kōrerotia e koutou ki ahau, māku hoki e kōrero ki a koutou te mana i mea ai ahau i ēnei mea. 25 Ko te iriiringa a Hoani, hea koia? te rangi, ngā tāngata rānei?"

Ā, ka kōrerorero rātou ki a rātou anō, ka mea, "Ki te mea tātou, te rangi,e mea mai ia ki a tātou, Ha, he aha koutou whakapono ai ki a ia?26 Ā, ki te mea tātou, ngā tāngataka wehi tātou i te mano; ki rātou katoa hoki he poropiti a Hoani."

27 , ka whakahoki rātou ki a Īhu, ka mea, "Kāhore mātou e mōhio."

, ko tāna meatanga ki a rātou, "E kore anō e kōrerotia e ahau ki a koutou te mana i mea ai ahau i ēnei mea."

Te Kupu Whakarite o ngā Tama Tokorua

28 ", e pēhea ana koutou whakaaro? Tokorua ngā tama a tētahi tangata; ā, ka haere ia ki mua, ka mea, E tama, haere ki te mahi āianei ki tāku māra wāina.29 , ka whakahoki ia, ka mea, Kāhore ahau e pai; otirā, i muri iho ka puta tōna whakaaro, ā, haere ana. 30 Ā, ka haere mai ia ki te tuarua, ka pērā anō tāna kupu. , ka whakahoki tērā, ka mea, E kara, ka haere ahau; ā, kīhai i tae. 31 Ko wai o taua tokorua i mea i tōna matua i pai ai?"

Ka mea rātou ki a ia, "Ko mua."

Ka mea a Īhu ki a rātou, "He pono tāku e mea nei ki a koutou, ko ngā pupirikana me ngā wāhine kairau e tika ana i mua i a koutou ki te rangatiratanga o te Atua. 32 I haere hoki a Hoani ki a koutou te ara o te tika, ā, kīhai koutou i whakapono ki a ia; tēnā ko ngā pupirikana me ngā wāhine kairau i whakapono ki a ia; ko koutou ia, i koutou kitenga, kīhai i puta ō koutou whakaaro i muri, kīhai i whakapono ki a ia."

Te Kupu Whakarite ngā Kaimahi i roto i te Māra Wāina

33 "Whakarongo ki tētahi atu kupu whakarite. Tērā tētahi rangatira whare i whakatō i te māra wāina, ā, taiepatia ana, ā taka noa, keria ana e ia te takahanga wāina i roto, hangā ana tētahi whare tiketike, tukua ana e ia ki ngā kaimahi, ā, haere ana ia ki tawhiti. 34 Ā, ka tata te hua, ka tonoa e ia āna pononga ki ngā kaimahi, ki te tiki i ōna hua.

35 ", ka mau ngā kaimahi ki āna pononga, whiua ana tētahi, whakamatea ana tētahi, ā, ākina ana tētahi ki te kōhatu. 36 , ka tonoa anō e ia ētahi atu pononga, he tokomaha atu i ō mua; heoi, i pērātia anō rātou. 37 , muri rawa iho, ka tono ia i tāna tama ki a rātou, i mea ia, E hopohopo rātou ki tāku tama.

38 "te kitenga ia o ngā kaimahi i te tama, ka mea ki a rātou anō, Ko te tangata tēnei mōna te kāinga; tēnā, tātou ka whakamate i a ia, ka tango i tōna kāinga.39 , ka mau rātou ki a ia, maka ana ki waho o te māra wāina, ā, whakamatea iho.

40 ", ina tae te rangatira o te māra wāina, ka pēheatia e ia aua kaimahi?"

41 Ka mea rātou ki a ia, "Pōuriuri ana āianei tāna whakangaro i taua hunga whakarihariha; ā, ka tukua te māra wāina ki ētahi atu kaimahi, ki te hunga e tukua ai ki a ia ngā hua i ngā hua."

42 Ka mea a Īhu ki a rātou, "Kīanō koutou i kite noa i roto i ngā karaipiture?

Ko te kōhatu i kapea e ngā kaihanga,

kua meinga tēnei hei upoko te kokonga;

te Ariki tēnei,

he mea whakamīharo hoki ki ō tātou kanohi!

43 "Koia, ahau ka mea nei ki a koutou, Ka tangohia te rangatiratanga o te Atua i a koutou, ā, ka hoatu ki tētahi iwi, e puta ai ngā hua o taua rangatiratanga. 44 Ko te tangata e hinga ki runga ki tēnei kōhatu, , mongamonga ana ia; ki te taka ia taua kōhatu ki runga ki tētahi, , ngotangota noa ia me he puehu."

45 Ā, ka rongo ngā tohunga nui me ngā Parihi ki āna kupu whakarite, ka mōhio rātou āna kōrero. 46 , i a rātou e whai ana kia hopukia ia, ka wehi i te mano, ki rātou hoki he poropiti ia.

Veja também

Bíblia Online Bíblia Online

Bíblia Online • Versão: 2026-07-05_12-11-46-