Sermon sur la montagne (fin). Préceptes divers: — les jugements téméraires, — la paille et la poutre, — les choses saintes données aux chiens, — la persévérance dans la prière, — la porte étroite, — les faux prophètes, — la maison bâtie sur le roc
1 Lu 6:37.Ro 2:1.1 Co 4:3,5.Ne jugez point, afin que vous ne soyez point jugés.2 Mc 4:24.Lu 6:38.Car on vous jugera du jugement dont vous jugez, et l’on vous mesurera avec la mesure dont vous mesurez.3 Lu 6:41,42.Pourquoi vois-tu la paille qui est dans l’œil de ton frère, et n’aperçois-tu pas la poutre qui est dans ton œil?4 Ou comment peux-tu dire à ton frère: Laisse-moi ôter une paille de ton œil, toi qui as une poutre dans le tien?5 Pr 18:17.Hypocrite, ôte premièrement la poutre de ton œil, et alors tu verras comment ôter la paille de l’œil de ton frère.6 Pr 9:8;23:9.Ne donnez pas les choses saintes aux chiens, et ne jetez pas vos perles devant les pourceaux, de peur qu’ils ne les foulent aux pieds, ne se retournent et ne vous déchirent.
7 Demandez,Mt 21:22.Mc 11:24.Lu 11:9.Jn 14:13,16,24.Ja 1:5,6.1 Jn 3:22;5:14.et l’on vous donnera; cherchez, et vous trouverez; frappez, et l’on vous ouvrira.8 Pr 8:17.Jé 29:12.Car quiconque demande reçoit, celui qui cherche trouve, et l’on ouvre à celui qui frappe.9 Lequel de vous donnera une pierre à son fils, s’il lui demande du pain?10 Ou, s’il demande un poisson, lui donnera-t-il un serpent?11 Si donc,Ge 6:5;8:21.méchants comme vous l’êtes, vous savez donner de bonnes choses à vos enfants, à combien plus forte raison votre Père qui est dans les cieux donnera-t-il de bonnes choses à ceux qui les lui demandent.12 Lu 6:31.Tout ce que vous voulez que les hommes fassent pour vous, faites-le de même pour eux, car c’est la loi et les prophètes.
13 Lu 13:24.Entrez par la porte étroite. Car large est la porte, spacieux est le chemin qui mènent à la perdition, et il y en a beaucoup qui entrent par là.14 Ac 14:22.Mais étroite est la porte, resserré le chemin qui mènent à la vie, et il y en a peu qui les trouvent.
15 De 13:3.Jé 23:16.Mt 24:4.Ro 16:17.Ép 5:6.Col 2:8.1 Jn 4:1.Gardez-vous des faux prophètes. Ils viennent à vous en vêtements de brebis, mais au-dedans ce sont des loups ravisseurs.16 Vous les reconnaîtrez à leurs fruits. Cueille-t-on des raisins sur des épines, ou des figues sur des chardons?17 Mt 3:10;12:33.Mc 11:13.Lu 8:8.Tout bon arbre porte de bons fruits, mais le mauvais arbre porte de mauvais fruits.18 Un bon arbre ne peut porter de mauvais fruits, ni un mauvais arbre porter de bons fruits.19 Tout arbre qui ne porte pas de bons fruits est coupé et jeté au feu.20 C’est donc à leurs fruits que vous les reconnaîtrez.
21 Mt 25:11.Lu 6:46;13:25.Ac 19:13.Ro 2:13.Ja 1:22.Ceux qui me disent: Seigneur, Seigneur! N’entreront pas tous dans le royaume des cieux, mais celui-là seul qui fait la volonté de mon Père qui est dans les cieux.22 Jé 14:14;27:15.Lu 13:26.Plusieurs me diront en ce jour-là: Seigneur, Seigneur, n’avons-nous pas prophétisé par ton nom? N’avons-nous pas chassé des démons par ton nom? Et n’avons-nous pas fait beaucoup de miracles par ton nom?23 Ps 6:9.Mt 25:12.Lu 13:25,27.Alors je leur dirai ouvertement: Je ne vous ai jamais connus,Mt 25:41.Lu 13:25,26.retirez-vous de moi, vous qui commettez l’iniquité.24 Jé 17:8.Lu 6:47.Ro 2:13.Ja 1:25.C’est pourquoi, quiconque entend ces paroles que je dis et les met en pratique, sera semblable à un homme prudent qui a bâti sa maison sur le roc.25 La pluie est tombée, les torrents sont venus, les vents ont soufflé et se sont jetés contre cette maison: elle n’est point tombée, parce qu’elle était fondée sur le roc.26 Éz 13:11.Ro 2:13.Ja 1:23.Mais quiconque entend ces paroles que je dis, et ne les met pas en pratique, sera semblable à un homme insensé qui a bâti sa maison sur le sable.27 La pluie est tombée, les torrents sont venus, les vents ont soufflé et ont battu cette maison: elle est tombée, et sa ruine a été grande.28 Après que Jésus eut achevé ces discours, la foule fut frappée de sa doctrine; 29 Mc 1:22;6:2.Lu 4:32.car il enseignait comme ayant autorité, et non pas comme leurs scribes.
1 Oordeel niet over anderen, anders zal er over jou worden geoordeeld. 2 Want het oordeel dat jij velt, zal aan jou worden voltrokken en de maat die jij hanteert, zal op jou worden toegepast. 3 Hoe is het mogelijk dat je wel de splinter in het oog van je naaste ziet, maar de balk in je eigen oog niet opmerkt? 4 En hoe kan je tegen je naaste zeggen: ‘Laat mij de splinter uit je oog verwijderen’, terwijl de balk nog in jouw oog zit? 5 Hypocriet, verwijder eerst de balk uit je eigen oog. Dan zal je goed genoeg zien om de splinter uit het oog van je naaste te verwijderen. 6 Geef het heilige niet aan de honden en werp je parels niet voor de zwijnen, anders vertrappelen die zwijnen de parels en keren die honden zich tegen je om je te verscheuren.
7 Vraag en het zal je gegeven worden, zoek en je zal vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. 8 Want ieder die vraagt, zal ontvangen, en wie zoekt zal vinden en voor wie klopt, zal worden opengedaan. 9 Of is er onder jullie iemand die, als zijn zoon hem om brood vraagt, hem een steen geeft? 10 En als hij om vis vraagt, geeft hij hem toch geen slang? 11 Als jullie, die slecht zijn, goede geschenken weten te geven aan je kinderen, is het toch veel zekerder dat jullie Vader in de hemel goede dingen geeft aan wie erom vraagt? 12 Doe dus alles voor de mensen wat je wil dat zij voor jou zouden doen, want dat is wat de Wet en de Profeten voorschrijven.
13 Ga naar binnen door de nauwe poort, want wijd is de poort – en breed de weg – die naar de ondergang leidt. 14 En nauw is de poort – en smal de weg – die naar het leven leidt; er zijn er maar weinig die hem vinden!
15 Pas op voor de valse profeten; zij doen zich aan jullie voor als schapen, maar zijn in wezen roofzuchtige wolven. 16 Je kan ze herkennen aan hun vruchten. Van een doornstruik worden toch geen druiven geoogst, of vijgen van distels? 17 Op dezelfde manier levert iedere goede boom goede vruchten op, en een slechte boom slechte vruchten. 18 Een goede boom kan toch geen slechte vruchten opleveren, of een slechte boom goede vruchten? 19 Elke boom die geen goede vruchten oplevert, wordt omgehakt en in het vuur gegooid. 20 Je kan ze dus herkennen aan hun vruchten.
21 Niet iedereen die almaar ‘Heer, Heer’ tegen Mij zegt, zal Gods rijk binnengaan, maar wel wie doet wat mijn Vader in de hemel wil. 22 Op de Grote Dag zullen veel mensen Mij vragen: ‘Heer, Heer, we hebben toch in uw naam geprofeteerd, in uw naam demonen uitgedreven en in uw naam veel wonderen verricht?’ 23 En dan zal Ik ronduit tegen hen zeggen: ‘Ik heb jullie nooit gekend! Ga weg, jullie zondaars!’
24 Dus ieder die mijn woorden hoort en in praktijk brengt, is als een verstandig man, die zijn huis op een stevige ondergrond bouwde. 25 Toen het begon te regenen, er een overstroming kwam, het ging stormen en de wind tegen dat huis beukte, stortte het niet in, want het stond op een stevige ondergrond. 26 Maar ieder die mijn woorden hoort en ze niet in praktijk brengt, is als een dwaze man die zijn huis op los zand bouwde. 27 Toen het begon te regenen, er een overstroming kwam, het ging stormen en de wind tegen dat huis beukte, stortte het in en was het volledig verwoest."
28 Toen Jezus was uitgesproken, was de mensenmassa diep onder de indruk van zijn onderwijs, 29 want Hij onderwees hen als een gezaghebbende en niet zoals hun Schriftgeleerden.