Tentation de Jésus-Christ
1 Alors Jésus Mc 1:12.Lu 4:1.fut emmené par l’Esprit dans le désert, pour être tenté par le diable. 2 Après avoir jeûné quarante jours et quarante nuits, il eut faim. 3 Le tentateur, s’étant approché, lui dit: Si tu es Fils de Dieu, ordonne que ces pierres deviennent des pains. 4 Jésus répondit: Il est écrit:
De 8:3.L’homme ne vivra pas de pain seulement, mais de toute parole qui sort de la bouche de Dieu.
5 Le diable le transporta dans la ville sainte, le plaça sur le haut du temple, 6 et lui dit: Si tu es Fils de Dieu, jette-toi en bas; car il est écrit:
Ps 91:11,12.Il donnera des ordres à ses anges à ton sujet;
Et ils te porteront sur les mains,
De peur que ton pied ne heurte contre une pierre.
7 Jésus lui dit: Il est aussi écrit:
De 6:16.Tu ne tenteras point le Seigneur, ton Dieu.
8 Le diable le transporta encore sur une montagne très élevée, lui montra tous les royaumes du monde et leur gloire, 9 et lui dit: Je te donnerai toutes ces choses, si tu te prosternes et m’adores. 10 Jésus lui dit: Retire-toi, Satan! Car il est écrit:
De 6:13;10:20.Tu adoreras le Seigneur, ton Dieu, et tu le serviras lui seul.
11 Alors le diable le laissa. Et voici, des anges vinrent auprès de Jésus, et le servaient.
Jésus à Capernaüm
12 Jésus, ayant appris que Mc 1:14.Lu 4:14.Jean avait été livré, se retira Lu 4:16,31.Jn 4:43.dans la Galilée. 13 Il quitta Nazareth, et vint demeurer à Capernaüm, située près de la mer, dans le territoire de Zabulon et de Nephthali, 14 afin que s’accomplît ce qui avait été annoncé par Ésaïe, le prophète:
15 És 8:23;9:1.Le peuple de Zabulon et de Nephthali,
De la contrée voisine de la mer, du pays au delà du Jourdain,
Et de la Galilée des Gentils,
16 Ce peuple, assis dans les ténèbres,
A vu une grande lumière;
Et sur ceux qui étaient assis dans la région et l’ombre de la mort
La lumière s’est levée.
Commencement du ministère de Jésus. Vocation de quatre disciples
17 Dès ce moment Jésus commença à prêcher, et à dire: Mc 1:15.Repentez-vous, car le royaume des cieux est proche.18 Mc 1:16.Comme il marchait le long de la mer de Galilée, il vit deux frères, Simon, appelé Pierre, et André, son frère, qui jetaient un filet dans la mer; car ils étaient pêcheurs. 19 Il leur dit: Suivez-moi, et je vous ferai pêcheurs d’hommes.20 Aussitôt, ils laissèrent les filets, et le suivirent. 21 De là étant allé plus loin, il vit deux autres frères, Jacques, fils de Zébédée, et Jean, son frère, qui étaient dans une barque avec Zébédée, leur père, et qui réparaient leurs filets. 22 Il les appela, et aussitôt ils laissèrent la barque et leur père, et le suivirent.
23 Jésus parcourait toute la Galilée, enseignant dans les synagogues, prêchant la bonne nouvelle du royaume, et guérissant toute maladie et toute infirmité parmi le peuple. 24 Sa renommée se répandit dans toute la Syrie, et on lui amenait tous ceux qui souffraient de maladies et de douleurs de divers genres, des démoniaques, des lunatiques, des paralytiques; et il les guérissait. 25 Une grande foule le suivit, de la Galilée, de la Décapole, de Jérusalem, de la Judée, et d’au delà du Jourdain.
1 Jezus werd door de Geest naar de wildernis geleid om door de duivel op de proef te worden gesteld. 2 Jezus vastte veertig dagen en veertig nachten en kreeg uiteindelijk grote honger. 3 Toen kwam de duivel Hem op de proef stellen. Hij zei: "Als U de Zoon van God bent, zeg dan tegen deze stenen dat ze broden moeten worden." 4 Maar Jezus antwoordde: "In de Schriften staat: ‘De mens leeft niet alleen van brood, maar van ieder woord dat uit Gods mond komt.’" 5 Vervolgens leidde de duivel Hem naar de heilige stad, naar de hoogste plaats op het tempelterrein. 6 Hij zei tegen Hem: "Als U de Zoon van God bent, spring dan naar beneden, want in de Schriften staat:
‘Hij zal zijn engelen bevelen jou te beschermen;
dan zullen zij je op hun handen dragen,
zodat je je voet niet aan een steen stoot.’"
7 Jezus antwoordde: "Er staat ook: ‘Stel de Heer, je God, niet op de proef.’" 8 Vervolgens leidde de duivel Hem naar een zeer hoge berg en toonde hij Hem alle koninkrijken van de wereld en hun pracht. 9 Hij zei tegen Hem: "Ik zal U dit alles geven als U voor mij neerknielt en mij aanbidt." 10 Maar Jezus zei tegen hem: "Ga weg, Satan, want in de Schriften staat: ‘Aanbid de Heer, je God, en dien alleen Hem.’" 11 Toen liet de duivel Hem met rust en kwamen engelen Hem dienen.
12 Zodra Jezus hoorde dat Johannes was gevangengenomen, trok Hij zich terug naar Galilea. 13 Daar verhuisde Hij van Nazaret naar Kafarnaüm; dat ligt aan het meer in het gebied van Zebulon en Naftali. 14 Zo gingen de volgende woorden van de profeet Jesaja in vervulling:
15 "Land van Zebulon en land van Naftali,
aan de weg naar zee voorbij de Jordaan,
Galilea van de andere volken:
16 Het volk dat in het duister woonde,
heeft een groot licht gezien,
en voor hen die woonden waar de schaduw van de dood heerste,
is een licht gaan schijnen."
17 Vanaf toen begon Jezus te verkondigen: "Kom tot inkeer, want Gods rijk is in aantocht."
18 Toen Jezus langs het Meer van Galilea wandelde, zag Hij twee broers: Simon, die Petrus wordt genoemd, en zijn broer Andreas. Ze waren bezig een net in het meer uit te werpen, want ze waren vissers. 19 Hij zei tegen hen: "Kom, volg Mij en Ik zal mensenvissers van jullie maken." 20 Meteen lieten ze de netten achter en volgden ze Hem. 21 Iets verderop zag Hij nog twee broers: Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes. Ze waren met hun vader Zebedeüs in de boot de netten aan het klaarmaken. Toen Jezus hen riep, 22 lieten ze meteen de boot en hun vader achter en volgden Hem.
23 Jezus trok door heel Galilea, waar Hij in de synagogen onderwees, het evangelie van Gods koninkrijk verkondigde en iedere ziekte en aandoening van de mensen genas. 24 Het nieuws over Hem verspreidde zich door heel Syrië en men bracht alle mensen bij Hem die aan allerlei aandoeningen, ziekten en pijnlijke kwalen leden, die bezeten waren, epilepsie hadden of verlamd waren, en Hij genas hen. 25 Een grote mensenmassa volgde Hem uit Galilea, Dekapolis, Jeruzalem, Judea en het gebied aan de overkant van de Jordaan.