Guérison d’un paralytique
1 Jésus, étant monté dans une barque, traversa la mer, et alla dans sa ville. 2 Mc 2:3.Lu 5:18.Ac 9:33.Et voici, on lui amena un paralytique couché sur un lit. Jésus, voyant leur foi, dit au paralytique: Prends courage, mon enfant, tes péchés te sont pardonnés.3 Sur quoi, quelques scribes dirent au-dedans d’eux: Ps 32:5.És 43:25.Cet homme blasphème. 4 Et Jésus, connaissant leurs pensées, dit: Pourquoi avez-vous de mauvaises pensées dans vos cœurs?
5 Car, lequel est le plus aisé, de dire: Tes péchés sont pardonnés, ou de dire: Lève-toi, et marche?6 Or, afin que vous sachiez que le Fils de l’homme a sur la terre le pouvoir de pardonner les péchés: Lève-toi, dit-il au paralytique, prends ton lit, et va dans ta maison.7 Et il se leva, et s’en alla dans sa maison. 8 Quand la foule vit cela, elle fut saisie de crainte, et elle glorifia Dieu, qui a donné aux hommes un tel pouvoir.
Vocation de Matthieu
9 Mc 2:14.Lu 5:27.De là étant allé plus loin, Jésus vit un homme assis au lieu des péages, et qui s’appelait Matthieu. Il lui dit: Suis-moi. Cet homme se leva, et le suivit. 10 Comme Jésus était à table dans la maison, voici, beaucoup de publicains et de gens de mauvaise vie vinrent se mettre à table avec lui et avec ses disciples. 11 Les pharisiens virent cela, et ils dirent à ses disciples: Pourquoi votre maître mange-t-il avec les publicains et les gens de mauvaise vie? 12 Ce que Jésus ayant entendu, il dit: Ce ne sont pas ceux qui se portent bien qui ont besoin de médecin, mais les malades.
13 Allez, et apprenez ce que signifie:Os 6:6.Mi 6:8.Mt 12:7.Je prends plaisir à la miséricorde, et non aux sacrifices.Mc 2:17.Lu 5:32;19:10.1 Ti 1:15.Car je ne suis pas venu appeler des justes, mais des pécheurs.
Question des disciples de Jean-Baptiste sur le jeûne
14 Mc 2:18.Lu 5:33.Alors les disciples de Jean vinrent auprès de Jésus, et dirent: Pourquoi nous et les pharisiens jeûnons-nous, tandis que tes disciples ne jeûnent point? 15 Jésus leur répondit: 2 Co 11:2.Les amis de l’époux peuvent-ils s’affliger pendant que l’époux est avec eux? Les jours viendront où l’époux leur sera enlevé, et alors ils jeûneront.
16 Personne ne met une pièce de drap neuf à un vieil habit; car elle emporterait une partie de l’habit, et la déchirure serait pire.17 Mc 2:22.On ne met pas non plus du vin nouveau dans de vieilles outres; autrement, les outres se rompent, le vin se répand, et les outres sont perdues; mais on met le vin nouveau dans des outres neuves, et le vin et les outres se conservent.
Résurrection de la fille de Jaïrus, et guérison d’une femme malade depuis douze ans
18 Tandis qu’il leur adressait ces paroles, Mc 5:22.Lu 8:41.voici, un chef arriva, se prosterna devant lui, et dit: Ma fille est morte il y a un instant; mais viens, impose-lui les mains, et elle vivra. 19 Jésus se leva, et le suivit avec ses disciples. 20 Lé 15:25.Mc 5:25.Lu 8:43.Et voici, une femme atteinte d’une perte de sang depuis douze ans s’approcha par derrière, et toucha le bord de son vêtement. 21 Car elle disait en elle-même: Si je puis seulement toucher son vêtement, je serai guérie. 22 Jésus se retourna, et dit, en la voyant: Mc 5:34.Lu 8:48.Prends courage, ma fille, ta foi t’a guérie. Et cette femme fut guérie à l’heure même. 23 Mc 5:38.Lu 8:51.Lorsque Jésus fut arrivé à la maison du chef, et qu’il vit les joueurs de flûte et la foule bruyante, 24 il leur dit: Retirez-vous; car la jeune fille n’est pas morte, mais elleJn 11:11.dort. Et ils se moquaient de lui. 25 Quand la foule eut été renvoyée, il entra, prit la main de la jeune fille, et la jeune fille se leva. 26 Le bruit s’en répandit dans toute la contrée.
Diverses guérisons
27 Étant parti de là, Jésus fut suivi par deux aveugles, qui criaient: Aie pitié de nous, Fils de David! 28 Lorsqu’il fut arrivé à la maison, les aveugles s’approchèrent de lui, et Jésus leur dit: Croyez-vous que je puisse faire cela? Oui, Seigneur, lui répondirent-ils. 29 Alors il leur toucha les yeux, en disant: Qu’il vous soit fait selon votre foi.30 Et leurs yeux s’ouvrirent. Mt 12:16.Lu 5:14.Jésus leur fit cette recommandation sévère: Prenez garde que personne ne le sache.31 Mc 7:36.Mais, dès qu’ils furent sortis, ils répandirent sa renommée dans tout le pays.
32 Mt 12:22.Lu 11:14.Comme ils s’en allaient, voici, on amena à Jésus un démoniaque muet. 33 Le démon ayant été chassé, le muet parla. Et la foule étonnée disait: Jamais pareille chose ne s’est vue en Israël. 34 Mais les pharisiens dirent: Mt 12:24.Mc 3:22.Lu 11:15.C’est par le prince des démons qu’il chasse les démons.
Mission des douze apôtres
35 Mc 6:6.Lu 13:22.Jésus parcourait toutes les villes et les villages, enseignant dans les synagogues, prêchant la bonne nouvelle du royaume, et guérissant toute maladie et toute infirmité. 36 Mc 6:34.Voyant la foule, il fut ému de compassion pour elle, parce qu’elle était languissante et abattue, Jé 23:1.Éz 34:2.comme des brebis qui n’ont point de berger. 37 Alors il dit à ses disciples: La moisson est grande, mais il y a peu d’ouvriers.
38 2 Th 3:1.Priez donc le maître de la moisson d’envoyer des ouvriers dans sa moisson.
1 Jezus stapte in een boot, stak het meer over en ging naar zijn thuisstad. 2 Enkele mensen brachten iemand bij Hem die verlamd was en op een draagbed lag. Toen Jezus zag hoeveel geloof ze hadden, zei Hij tegen de verlamde man: "Wees gerust, mijn kind, je zonden zijn je vergeven." 3 Toen zeiden enkele van de Schriftgeleerden tegen elkaar: "Die Man lastert God." 4 Jezus merkte wat ze dachten en zei: "Waarom denken jullie zulke slechte dingen? 5 Wat is gemakkelijker, zeggen: je zonden zijn vergeven, of zeggen: sta op en wandel? 6 Maar om te zorgen dat jullie beseffen dat de Mensenzoon het gezag heeft om op aarde zonden te vergeven …" Toen zei Hij tegen de verlamde man: "Sta op, neem je draagbed op en ga naar huis." 7 De man stond op en ging naar huis. 8 Toen de mensen dat zagen, waren ze diep onder de indruk en ze verheerlijkten God, omdat Hij dergelijk gezag aan mensen had gegeven.
9 Toen Jezus daarvandaan verder ging, zag Hij iemand die Matteüs heette bij het tolhuis zitten. Jezus zei tegen hem: "Volg Mij." En Matteüs stond op en volgde Hem. 10 Toen Jezus op een dag bij Matteüs thuis was voor een maaltijd, kwamen er veel belastinginners en zondaars met Hem en zijn leerlingen mee-eten. 11 Enkele farizeeën zagen dat en vroegen aan zijn leerlingen: "Waarom eet jullie Leraar samen met belastinginners en zondaars?" 12 Jezus hoorde dat en zei: "Het zijn niet de gezonde mensen die een dokter nodig hebben, maar de zieken. 13 Jullie moeten leren wat ‘Ik verlang mededogen, geen offers’ betekent. Ik ben namelijk niet gekomen om rechtvaardige mensen te roepen, maar zondaars."
14 Toen kwamen de leerlingen van Johannes Hem vragen: "Wij en de farizeeën vasten dikwijls; waarom vasten uw leerlingen niet?" 15 Jezus antwoordde: "De gasten van de bruidegom kunnen toch niet rouwen terwijl de bruidegom bij hen is? Er komt echter een tijd dat de bruidegom bij hen wordt weggehaald en dan zullen ze vasten. 16 Niemand verstelt een oud kledingstuk met een stuk stof dat nog niet gekrompen is, want dan trekt het verstelstuk de stof kapot en ontstaat er een grotere scheur. 17 Ook giet men geen nieuwe wijn in oude wijnzakken, want dan barsten de zakken open, stroomt de wijn eruit en zijn de zakken kapot. Nee, men giet nieuwe wijn in nieuwe wijnzakken; dan blijven de twee samen behouden."
18 Terwijl Jezus deze dingen tegen hen zei, kwam een vooraanstaand man naar Jezus toe. Hij knielde voor Hem en zei: "Mijn dochter is pas gestorven. Maar kom uw hand op haar leggen; dan zal ze weer leven." 19 Jezus stond op en ging, samen met zijn leerlingen, met de man mee. 20 Er was echter een vrouw die al twaalf jaar aan bloedingen leed, en die Jezus van achteren benaderde en de kwast onderaan zijn mantel aanraakte. 21 Ze dacht namelijk: "Als ik slechts zijn mantel aanraak, zal ik genezen." 22 Jezus draaide zich om, zag haar en zei: "Wees gerust, mijn dochter, je geloof heeft je genezen." De vrouw werd genezen op datzelfde moment. 23 Daarna ging Jezus het huis van de vooraanstaande man binnen. Hij zag de fluitspelers en de luid wenende menigte 24 en zei: "Gaan jullie maar weg; het meisje is niet dood, ze slaapt alleen maar." Ze lachten Hem echter uit. 25 Toen de menigte naar buiten was gestuurd, ging Hij naar binnen, nam haar hand vast en het meisje stond op. 26 Het nieuws hierover verspreidde zich over die hele streek.
27 Toen Jezus daarvandaan verderging, werd Hij gevolgd door twee mensen die blind waren. Ze riepen: "Heb medelijden met ons, Zoon van David!" 28 Toen Hij thuisgekomen was, kwamen de twee bij Hem. Jezus vroeg hen: "Geloven jullie dat Ik dit kan doen?" Ze antwoordden: "Ja, Heer." 29 Toen raakte Hij hun ogen aan en zei Hij: "Laat nu gebeuren wat jullie geloven!" 30 Toen konden ze zien. Jezus waarschuwde hen: "Pas op, niemand mag hiervan weten." 31 Maar zij gingen eropuit en maakten het bekend in de hele streek. 32 Nadat ze waren vertrokken, werd iemand bij Jezus gebracht die niet kon spreken omdat hij bezeten was. 33 Toen de demon was uitgedreven, begon de man te spreken. De mensenmassa stond er versteld van en zei: "Dit is nog nooit vertoond in Israël." 34 Maar de farizeeën zeiden: "Hij drijft demonen uit door de kracht van de heerser over de demonen."
35 Jezus trok rond langs alle steden en dorpen, waar Hij in de synagogen onderwees, het evangelie van Gods koninkrijk verkondigde en iedere ziekte en aandoening van de mensen genas. 36 Toen Hij de vele mensen zag, kreeg Hij medelijden met hen, omdat ze verward en uitgeput waren, als schapen zonder herder. 37 Hij zei tegen zijn leerlingen: "De oogst is wel groot, maar er zijn weinig arbeiders. 38 Smeek daarom de Heer van de oogst om arbeiders naar zijn oogst te zenden."