1 Til sangmesteren; efter "Den målløse due på de fjerne steder"*; av David; en gyllen sang da filistrene grep ham i Gat**. / {* kanskje melodien.} / {** 1SA 21, 10 fg.}2 Vær mig nådig, Gud! for mennesker vil opsluke mig; hele dagen trenger de mig med krig.3 Mine fiender søker å opsluke mig hele dagen; for mange er de som strider mot mig i overmot.4 På den dag jeg frykter, setter jeg min lit til dig.5 Ved Gud priser jeg hans ord; til Gud setter jeg min lit, jeg frykter ikke; hvad skulde kjød kunne gjøre mig?6 Hele dagen forvender de mine ord; alle deres tanker er mig imot til det onde.7 De slår sig sammen, de lurer, de tar vare på mine trin, fordi de står mig efter livet.8 Skulde de undslippe tross sin ondskap? Støt folkeslag ned i vrede, Gud!9 Hvor ofte jeg har flyktet, det har du tellet; mine tårer er gjemt i din flaske; står de ikke i din bok?10 Da skal mine fiender vende tilbake, på den dag jeg roper; dette vet jeg at Gud er med mig.11 Ved Gud priser jeg ordet; ved Herren priser jeg ordet.12 Til Gud setter jeg min lit, jeg frykter ikke; hvad skulde et menneske kunne gjøre mig?13 På mig, Gud, hviler løfter til dig; jeg vil betale dig med takksigelser.14 For du har fridd min sjel fra døden, ja mine føtter fra fall, så jeg kan vandre for Guds åsyn i de levendes lys.
1 Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, op Jonath Elem Rechokim; als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath.2 Wees mij genadig, o God! want de mens zoekt mij op te slokken; den gansen dag dringt mij de bestrijder.3 Mijn verspieders zoeken mij den gansen dag op te slokken; want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste!4 Ten dage, als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen.5 In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zoude mij vlees doen?6 Den gansen dag verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade.7 Zij rotten samen, zij versteken zich, zij passen op mijn hielen; als die op mijn ziel wachten.8 Zouden zij om hun ongerechtigheid vrijgaan? Stort de volken neder in toorn, o God!9 Gij hebt mijn omzwerven geteld; leg mijn tranen in uw fles; zijn zij niet in Uw register?10 Dan zullen mijn vijanden achterwaarts keren, ten dage als ik roepen zal; dit weet ik, dat God met mij is.11 In God zal ik het woord prijzen; in den HEERE zal ik het woord prijzen.12 Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen?13 O God! op mij zijn Uw geloften; ik zal U dankzeggingen vergelden; [ (Psalms 56:14) Want Gij hebt mijn ziel gered van den dood; ook niet mijn voeten van aanstoot, om voor Gods aangezicht te wandelen in het licht der levenden? ]